Balkan

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Balkanschiereiland. Naar "Freytag's Welt-Atlas", ed. 1935
De Balkan (Turks voor 'gebergte') of het Balkanschiereiland vormt het oostelijkste schiereiland van de drie grote schiereilanden in Zuid-Europa en werd voor het eerst in 1808 zo genoemd door de Duitse geograaf August Zeune. Het wordt in het noorden begrensd door de rivieren Sava en Donau en in het noordwesten door de lijn Triëst - Ljubljana. Het ontleent zijn naam aan een bergketen in Bulgarije die door de Turken (en inmiddels ook door de meeste andere volken, maar niet door de Bulgaren) Balkan wordt genoemd. De Bulgaren zelf noemen het Stara Planina (Стара Планина), het oude gebergte. Daarmee duiden ze alleen het gebergte aan en niet het schiereiland.

De landen beneden de 45ste breedtegraad en boven de grens met Griekenland worden doorgaans tot de Balkan gerekend:

  • Bulgarije
  • Kroatië
  • Bosnië en Herzegovina
  • Montenegro
  • Servië
  • Kosovo
  • Macedonië
  • Albanië

Geschiedenis

Sinds prehistorische tijden werd de Balkan bewoond door Kelten, Grieken, Romeinen, later Goten, Slavische volkeren, en nog later Turken. De Albanezen, wier taal als enige tot de Illyrische taalgroep behoort, vormen hier al sinds de prehistorie een afzonderlijke groep. De Balkan vormt aldus door de eeuwen heen een zone waar de invloedssferen van grote culturen, godsdiensten en machtige rijken aan elkaar grenzen. Sinds het Oosters Schisma van 1054 grenzen de rooms-katholieke en oosterse orthodoxe invloedssferen hier aan elkaar. Vanaf de 15de eeuw kwam daar door de expansie van het Ottomaanse Rijk (Turkije) ook de islam bij. In staatkundige zin botsten hier de invloedssferen van Rusland, het Ottomaanse Rijk en het Habsburgse Rijk en de autochtone Griekse cultuur, die echter door de Turken overheerst werd.

Het verval van het Ottomaanse Rijk leidde aan het begin van de 20ste eeuw tot de Balkanoorlogen en betekende het einde van ruim 500 jaar Turkse aanwezigheid op de Balkan (op een klein stukje na). Er kwam eveneens een eind aan 3000 jaar Griekse kolonisatie van de Anatolische westkust (Anatolië = Klein-Azië) toen alle etnische Grieken, meer dan een miljoen, in de jaren twintig er vandaan moesten vluchten naar hun land van oorsprong. Bovendien ontstond er in 1918 een heel nieuw land, Joegoslavië, waarin de diversiteit van de Balkan weerspiegeld werd. De gevolgen daarvan zouden niet uitblijven. Vervolgens werd er ook in de Tweede Wereldoorlog fel gevochten, eerst met succes door de Albanezen en de Grieken tegen de Italianen, en vanaf 1941 tegen de Duitsers toen die in enkele weken tijd de hele Balkan onder de voet liepen of tot bondgenoot maakten. De Duitsers speelden met succes Serviërs en Kroaten tegen elkaar uit, maar kregen ook te maken met grote aantallen Joegoslavische partizanen, die door de westelijke geallieerden gesteund werden.

Na de terugtrekking van de Duitsers brak in 1944 Griekenland een burgeroorlog uit toen de communisten trachtten de macht te grijpen, maar door Amerikaanse en Britse interventie kwam Griekenland in 1949 in het westerse kamp en werd zelfs NAVO-lid, net als aartsrivaal Turkije. In Joegoslavië hadden de communistische partizanen zichzelf bevrijd, zodat daar een niet-gebonden type communisme kon ontstaan. Het kleine, eveneens communistische Albanië zocht eerst aansluiting bij de Sovjet-Unie. Toen die na de dood van Stalin een revisionistische koers insloeg, zocht het steun bij de Volksrepubliek China, maar onderhield nog steeds slechte banden met de overige landen. Het hield net als Roemenië tot in de jaren 80 vast aan een stalinistische koers. Bulgarije kwam geheel in de Sovjet-invloedssfeer terecht. Roemenië onderscheidde zich door te koketteren met een niet-gebonden status, die overigens het lidmaatschap van het Warschaupact en het machtsmonopolie van de communisten niet bedreigde. Al deze regimes bevroren de traditionele etnische conflicten die na de val van het IJzeren Gordijn in 1989 in alle hevigheid weer losbarstten, net als elders in het voormalige Sovjet-imperium. De Oorlogen in Joegoslavië waren hiervan het ernstigste gevolg. Ook de buurlanden raakten er zijdelings bij betrokken door de vele vluchtelingen. Naweeën hiervan zijn de wrijvingen tussen Macedonië en Griekenland over de naam Macedonië (er bestaat een Griekse provincie Macedonië) en tussen Macedonië en Albanië over de behandeling van de Albanese minderheid in Macedonië. Volgens Griekenland wil Macedonië met deze naam voor het land een territoriale aanspraak op de Griekse provincie van die naam kracht bijzetten. Het land zou volgens Griekenland bijvoorbeeld Republiek Skopje moeten gaan heten voor het lid van de Europese Unie kan worden.

Een ander onopgelost conflict op de Balkan betreft Kosovo, dat lange tijd een provincie van Servië was, maar in meerderheid (ongeveer 90%) door etnische Albanezen wordt bewoond. Typerend voor het historisch besef op de Balkan is dat Kosovo door Servische nationalisten nog steeds als onvervreemdbaar Servisch grondgebied beschouwd, omdat de Serviërs in 1389 in Kosovo een heroïsche nederlaag leden tegen de Turken in de Slag op het Merelveld. Toen de situatie in de Servische provincie aan het einde van de jaren 1990 escaleerde en dreigde op genocide uit te lopen, greep de NAVO militair in, zeer tegen de zin van Rusland en van NAVO-lidstaat Griekenland, die dit opvatten als agressie tegen een Slavisch en/of orthodox-christelijk broedervolk. Rusland was toen echter te zwak om er iets tegen te doen. Sindsdien staat Kosovo onder toezicht van de Verenigde Naties. Op 17 februari 2008 riep Kosovo eenzijdig de onafhankelijkheid uit, die gedeeltelijke erkenning kreeg (waaronder van de Verenigde Staten en de meeste West-Europese landen), maar met name door Servië en bondgenoot Rusland fel wordt bestreden. Servië beschouwt het gebied nog altijd als een provincie, hoewel het land er in de praktijk al jaren geen gezag meer heeft.

Slovenië, de noordelijkste voormalige Joegoslavische deelstaat, ontsnapte goeddeels aan de burgeroorlog en is inmiddels volwaardig lid van de Europese Unie. Andere deelstaten komen in principe ook in aanmerking, maar er moet nog veel gebeuren met betrekking tot de kwaliteit van het bestuur en het uitleveren van oorlogsmisdadigers aan het internationale Joegoslavië-tribunaal in Den Haag. Op dat laatste punt werd op 21 juli 2008 een belangrijk succes geboekt door Servië, toen in Belgrado de reeds lang door het oorlogstribunaal gezochte Radovan Karadzic gearresteerd werd en in 2011 Ratko Mladić.



Dit artikel valt onder de GNU-licentie voor vrije documentatie