Belgisch defensieconcept

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Externe veiligheid, de bescherming tegen agressie van buiten uit, is een kerntaak van de staat. De staat moet dus een veiligheidsbeleid of strategie of, met nog een ander woord, een defensieconcept ontwikkelen om die taak te vervullen. De strategie bepaalt waar, wanneer en hoe de staat zal reageren op een agressie. De factoren die een invloed hebben op de keuze voor een strategie zijn: de politieke toestand, de bedreiging, de geostrategische gegevens, en de beschikbare middelen. Een en ander is ook bepaald door de historische gegevens.

Inhoud

De Wellingtonbarrière

Het Belgische defensieconcept zoals dat uitgevoerd werd bij het begin van de Eerste Wereldoorlog gaat terug op de Wellingtonbarrière.

De Wellingtonbarrière bestond uit een aantal vestingen, versterkte steden, ter hoogte van de huidige zuidelijke grens van België en een aantal vestingen op de Leie, de Schelde de Samber en de Maas. Deze barrière werd na het Congres van Wenen in 1815 ingericht onder impuls van de Britten. Ze moest het pas opgerichte Verenigd Koninkrijk der Nederlanden beschermen tegen hernieuwde Franse agressie. Die vestingen werden niet nieuw gebouwd. Bestaande en veelal verwaarloosde vestingen werden hersteld en verbeterd. Een aantal van die vestingen hadden voordien reeds in dienst van Frankrijk gediend voor de bescherming van de Franse grens die naar het Noorden opgeschoven was door de verovering van delen van de zuidelijke Nederlanden. Ze hadden nog vroeger ook reeds dienst gedaan in uitvoering van het Barrièretractaat van1697 dat in 1715 nog uitgebreid werd. Dit verdrag gaf de noordelijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het recht om garnizoenen te legeren in steden in de zuidelijke Nederlanden ter bescherming van de republiek tegen Franse agressie.

De vestingen van de Wellingtonbarrière

Langs de zuidelijke grens: Ieper, Menen, Doornik, Aat, Bergen, Charleroi, Philippeville, Mariembourg, Bouillon, Aarlen;

Langs de kust: Oostende, Nieuwpoort

Langs de Schelde: Oudenaarde, Gent, Dendermonde, Antwerpen

Langs de Maas: Dinant, Namen, Hoei, Luik, Maastricht

Deze vestingen moesten de verbindingswegen met Frankrijk desgewenst afsluiten en aldus werkelijk een barrière vormen. Dat werkte zolang het aantal wegen beperkt was en zolang de legers klein waren. Beide voorwaarden stelden reeds op het einde van de achttiende eeuw een probleem. Er werden toen reeds heel wat wegen gebouwd en massale legers werden op de been gebracht door verplichte legerdienst.

Het Belgische defensieconcept van 1830

In 1830 erfde België de vestingen van de Wellingtonbarrière. Het Verdrag van Londen (1839), de “geboorteakte” van België, ondertekend en gegarandeerd door Groot-Brittannië, Frankrijk, Pruisen, Rusland en Oostenrijk, legde het land eeuwigdurende neutraliteit op. De bedoeling was dat België geen coalities zou aangaan, vooral niet met Frankrijk, die de stabiliteit op het continent weer zou verstoren.

De eerste jaren van de onafhankelijkheid werd Frankrijk gezien de recente geschiedenis niet als een potentiële bedreiging ervaren door België. In de jaren veertig veranderde dat. Frankrijk werd opnieuw gezien als een bedreiging gezien de historische ervaring met Franse agressie in de 17de en 18de eeuw en de heroplevende gedachte aan annexatie. Op 29 maart 1848 moest een Belgische legerafdeling in Risquons-Tout een kleine legermacht van uit Frankrijk oprukkende voorstanders van de annexatie van België door Frankrijk ontwapenen!

Het Belgische defensieconcept steunde op de vestingen van de Wellingtonbarrière. België bouwde echter tal van verbindingswegen. De barrière werd weldra een zeef zodat er vestingen hadden moeten bijgebouwd worden. Daarenboven is het onderhoud van vestingen duur. Ze bij een conflict bezetten en verdedigen en daarenboven een sterk veldleger op de been brengen was voor België onhaalbaar. De vestingen preventief door een vreemde mogendheid laten bezetten kon niet wegens de neutraliteit opgelegd door het Verdrag van Londen (1839).

Het Belgische defensieconcept van 1851

In het midden van de negentiende eeuw zocht de Belgische regering een oplossing voor een mogelijke bedreiging uit het Zuiden of het Oosten. Het defensieconcept zal geleidelijk in de richting evolueren van het concept dat in de eerste weken van de Eerste Wereldoorlog zal toegepast worden. Een aantal vestingen werd ontmanteld. De behouden vestingen werden verstevigd en bemand door vestingtroepen. Antwerpen kreegt de rol toebedeeld van Nationaal Reduit, dat ook bevoorradingsbasis is en maneuversteunpunt van het leger. In geval van agressie uit het Zuiden of het Oosten zou een relatief groot veldleger geen beslissende slag aanvaarden. Het veldleger zou het terrein voet voor voet verdedigen door zo dikwijls mogelijk front te maken en de vijand te vertragen. Zo nodig zou het zich terug trekken achter de lijn gevormd door de Schelde, Rupel, Dijle en Demer. Uiteindelijk kon het zijn toevlucht zoeken in Antwerpen. Daar zou het langere tijd kunnen stand houden tot hulp van de garanderende mogendheden zou opdagen en van waaruit het dan, na versterking door die mogendheden, opnieuw zou kunnen uitbreken.

De invloedsfactoren rond 1900

Na de Frans-Pruisische oorlog van 1870 verandert de politieke en militaire toestand in West-Europa.

Het Verdrag van Londen (1839) is nog altijd van kracht.

Zowel Frankrijk als Duitsland versterken hun gemeenschappelijke grens. Frankrijk versterkt Verdun-Toul en Epinal-Belfort. Duitsland versterkt Thionville, Metz en Straatsburg. De versterkingen maken een frontale aanval over de grenzen moeilijk. Een overvleugeling doorheen België wordt waarschijnlijk. België vreest nu niet meer de historische Franse aanhechtingspolitiek, maar wel een opmars doorheen België door ofwel Frankrijk, ofwel doorDuitsland, zo niet door beiden.

De landsgrenzen hebben geen enkele militaire betekenis. De Ardennen zijn moeilijk toegankelijk. De stroombekkens van Maas en Schelde zijn tegelijk toegangswegen en hindernissen naargelang de richting die men uit wil. De Maasvallei, verlengd door de Samber en de Oise is een toegangsweg naar Parijs en, in de andere richting, naar de Rijn tussen Keulen en Wesel.

Om een strategisch concept gestalte te geven beschikt België over de historische versterkte steden. Verder heeft België een relatief groot bevolkingsaantal waaruit een leger kon gerekruteerd worden om de vestingen te bemannen en een veldleger op te stellen.

Het Belgische defensieconcept 1914

Ontplooiing Belgisch Leger 1914

Het defensieconcept dat in 1914 zal toegepast worden voorziet de vestingen op de Maas, Luik en Namen te bezetten om die invalsweg te controleren. Verder voorziet het concept het veldleger te verenigen in het centrum van het land in de vierhoek Tienen, Leuven, Waver, Perwez. De cavaleriedivisie zal de dekking verzekeren. Het veldleger kan opereren met drie mogelijke vestingen als operatiebasis: Antwerpen, Luik en Namen. Het veldleger heeft als opdracht de flank van de agressor die door België oprukt aan te tasten. Het kan eventueel een hulpleger van de garanderende staten ontvangen ter versterking. Indien nodig kan het veldleger zich verschansen in de vestingstad Antwerpen, het Nationaal Reduit, in afwachting van hulp van de garanderende mogendheden.

Zoals kan verwacht worden ging aan het vast leggen van het defensieconcept een discussie vooraf. Het aanvaarde defensieconcept geeft a priori een goed deel van het Belgisch grondgebied prijs. Een voorstel van Luitenant-generaal Selliers de Moranville ging nog verder. Hij wou het leger van bij de aanvang terugtrekken naar Antwerpen terwijl vestingtroepen in Luik en Namen de Duitse opmars zouden belemmeren. Kolonel Baron de Ryckel daarentegen wou het veldleger positie laten nemen tussen de Ourthe en de Duitse grens en later eventueel terugtrekken tot Antwerpen.

Externe links en bronnen

Vesting Antwerpen[1]

Duitse opmars door België [2]

Gils, Robert: België onder de wapens, Vesting Antwerpen, Deel 1, De Krijger, Erpe, 1997 (80 p.) ISBN90-72547-34-9; WET DEPOT/1997/6004/4.

Gils, Robert: België onder de wapens, Vesting Antwerpen, Deel 2, De Krijger, Erpe, 19978 (80 p.) ISBN90-72547-42-X; WET DEPOT/1998/6004/8.

De Vos, Luc; De Eerste Wereldoorlog; Davidsfonds/Leuven 2003, ISBN nummer : 9789058262264

Persoonlijke instellingen