Bokseropstand

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De Bokseropstand of Boxeropstand (soms Bokseroorlog) was een opstand van een Chinese nationalistische beweging, gericht tegen de invloed van de westerse imperialistische mogendheden (1899-1901) en hun invloed op het vlak van handel, politiek, religie en technologie.

Vooraf

China was een grootmacht in verval. De westerse mogendheden profiteerden hiervan door hun commerciële belangen te gelde te maken in het land. Zo bedongen westerse mogendheden onder meer mijnconcessies en vrije handelstoegang tot de havens.

Toenemende sociaal-economische ontwrichting leidde tot grote onvrede bij ontwortelde en verpauperde groepen van de agrarische bevolking, die in de ban kwamen van rebellerende, half-religieuze organisaties. Een dergelijk geheim politiek/religieus genootschap, de Yihetuan of Vuisten der Gerechtigheid en Eensgezindheid (vandaar de westerse benaming Boksers) opereerde in Sjan-toeng. Die kenmerkten zich door hun ongenoegen over de Westerse inmenging en de Chinese keizerlijke dynastie die maar liet betijen. De aanhangers beoefenden een oude, taöistisch geïnspireerde vorm van scherm- en verdedigingskunst, met blote vuisten of met lansen en lange messen. Deze oefeningen werden gekoppeld aan primitieve religieuze opvattingen, tegen de moderne techniek gerichte sentimenten, een magisch geloof in onkwetsbaarheid voor kogels en haatgevoelens tegen vreemdelingen en christenen. Ze propageerden dan ook het verdrijven van zowel de westerse kolonisten als de keizerlijke dynastie. Daar ze door de gouverneur van Sjan-toeng beschermd en heimelijk aangemoedigd werden, konden ze uitgroeien tot een soort volksmilitie.

De conservatieve Mantsjoe-hofkliek, onder leiding van de bijgelovige keizerin-regentes Cixi, die vijandig tegenover zelfs geringe "westerse" vernieuwingen stond, was ook helemaal niet zo gelukkig met de Westerse invloeden in haar land. Ze slaagde er in de anders anti-dynastieke vreemdelingenhaat op de buitenlanders af te wentelen en de Boksers voor haar te winnen in oktober 1899. Zo vormden Hof en opstandelingen een front tegen het Westen. Cixi vaardigde maatregelen uit die de Boksers beschermden, wat tot grote onrust leidde bij de Westerse diplomaten.

De opstand

De destructieve activiteiten van de bendes sloegen over op de provincies Tsjeli (Hopei) en Sjensi en tot in de hoofdstad Peking. Spoorwegen werden opgebroken, telegraafverbindingen verbroken en kerken vernield, zendelingen en Chinese christenen werden aangevallen.

In januari 1900 startten de Boksers hun agitatie op grote schaal. Westerlingen, Japanners en Chinese christenen werden aangevallen en hun goederen geplunderd. Er werden zo'n 300 buitenlanders, vooral zendelingen en missionarissen, vermoord, waaronder de Nijmeegse bisschop Ferdinand Hamer († 15 juli 1900). In juni was de toestand al zodanig uit de hand gelopen, dat er sprake was van een effectieve opstand. Toen de Boksers nog eens samen gingen met delen van het keizerlijke leger, was het hek helemaal van de dam.

Tianjin en Peking werden aangevallen, en de gezantschapswijk in de hoofdstad werd in juni en juli 1900 omsingeld en belegerd. De Duitse gezant in Peking, Freiherr Klemens von Ketteler, werd tijdens onderhandelingen op 20 juni door de opstandelingen vermoord. Dit was de aanleiding tot de oorlog.

Internationale interventie

Een internationale interventiemacht onder leiding van de Brit Claude Maxwell MacDonald werd naar China gestuurd om de buitenlandse gezantschappen in Peking te ontzetten. Dit gebeurde pas op 14 augustus 1900. De coalitie bestond uit Japanse, Amerikaanse, Oostenrijks-Hongaarse, Britse, Franse, Italiaanse, Russische en Chinese troepen, en was zo'n 45.000 man sterk. Ook Duitsland was uiteraard vertegenwoordigd en wel met een Ostasiatisches Infanterie-Regiment. Door de dood van de Duitse gezant waren de Duitse troepen extra gemotiveerd om orde op zaken te stellen. De Duitse veldmaarschalk Alfred von Waldersee voerde van 27 sept. 1900 tot 4 juni 1901 het opperbevel over de troepen van de bondgenoten in de provincie Pe-tsji-li. Dat hij aan het andere eind van de wereld deze taak op zich nam leverde de Feldmarschall in Duitsland de bijnaam "Weltmarschall" op.

De internationale troepenmacht versloeg de opstandelingen bij Tianjin op 14 juli en bij Peking op 14 augustus. De Boksers hadden gedacht door het uitvoeren van taoïstische rituelen onkwetsbaar in de strijd te zijn. Het hof vluchtte naar de oude hoofdstad Sian in Sjensi. De geallieerden zonden strafexpedities naar de gebieden waar aanvallen en moorden op buitenlanders en christenen waren bedreven.

Na de opstand

Het Boksergenootschap werd opgedoekt en door de keizerlijke steun aan hen, kwam de Qing-dynastie in opspraak. Ze was verplicht het Bokserprotocol te ondertekenen op 7 september 1901, waarbij er 10 vertrouwenspersonen die gelinkt waren aan de Boksers moesten worden terechtgesteld, China voor 450 miljoen taels (meer dan 300 miljoen euro) aan herstelbetalingen moest doen en de geallieerden het recht verkregen om de legaties door buitenlandse troepen te mogen beschermen.

Door deze afgang van de keizerlijke hoogheden verdween de steun van de bevolking als sneeuw voor de zon. Bovendien zouden de teruggedraaide hervormingen door Cixi het besef doen groeien dat China enkel uit het slop zou kunnen raken door een republiek te worden.



Dit artikel valt onder de GNU-licentie voor vrije documentatie