Winston Churchill

Uit Milpedia
(Doorverwezen vanaf Churchill)
Ga naar: navigatie, zoeken
Sir Winston Churchill (foto 1957)
Sir Winston Leonard Spencer Churchill (Blenheim Palace, Woodstock (Engeland), 30 november 1874 – Londen, 24 januari 1965) was een Brits staatsman.

Churchill was een van de bekendste staatslieden van de 20ste eeuw, vooral door zijn betrokkenheid bij de Eerste Wereldoorlog en zijn optreden als minister van Marine en premier van het Verenigd Koninkrijk gedurende de Tweede Wereldoorlog.

1874 - 1940

Churchill volgde een opleiding aan de Militaire Academie van Sandhurst. In 1895 ging hij als militair waarnemer naar Cuba. Als 2de luitenant, gestationeerd in Brits-Indië, schreef hij voor diverse kranten reportages over het neerslaan van een Pathaanse opstand in 1897. Op 2 september 1898 was hij te Omdurman, nabij Khartoem in Soedan deelnemer aan de laatste echte cavaleriecharge van het Britse leger. In oktober was Churchill terug in Engeland. Op 5 mei 1899 nam Churchill ontslag uit het Britse Leger.

In de Tweede Boerenoorlog werkte Churchill als oorlogscorrespondent. Hij werd gevangen genomen door de Boeren die een hinderlaag hadden gelegd voor een Brits treinkonvooi. Hij slaagde er echter in te ontsnappen naar Lourenço Marques, het huidige Maputo, in Mozambique.

Eenmaal terug in Engeland begon hij aan zijn carrière in de politiek. Van 1901 tot 1922 en van 1924 tot 1964 was hij lid van het Lagerhuis. In het begin was hij lid van de Conservative Party, maar omdat deze partij zich kantte tegen het principe van internationale vrijhandel, ging hij in 1904 over naar de Liberal Party. Door onenigheid met de liberale premiers Asquith en Lloyd George keerde Churchill tijdens het interbellum terug naar de Conservatives.

In 1910 werd Churchill minister van Binnenlandse Zaken en diende een verzoek in om ongeveer 100.000 "geestelijk gedegenereerde" mensen te steriliseren en een paar duizend anderen te laten werken in op te richten staatskampen. Dit "om het Engelse ras te redden van deze zich voortplantende inferieuren".

In 1911 werd hij minister van Marine ("First Lord of the Admiralty"). Hij zou dit blijven tot in de Eerste Wereldoorlog. In die functie was hij lid van het "Committee of Imperial Defense" dat samen met mensen als Edward Grey betrokken was bij de voorbereiding van de Britse strijdkrachten op de dreigende oorlog in Europa. Churchill en de First Sea Lord (chef-staf) prins Louis von Battenberg zorgden ervoor dat de reusachtige Britse vloot in de zomer van 1914 na oefeningen niet uiteen ging en zo bij het uitbreken van de oorlog ogenblikkelijk inzetbaar was. Hij speelde in die tijd een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de eerste Britse tank, de Mark I.

Churchill was in 1915 de bedenker van de rampzalige Gallipoli-landingen bij de Dardanellen, die bedoeld waren om de hoofdstad van de Turkse bondgenoot van Duitsland, Konstantinopel, te veroveren en een bevoorradingsroute naar bondgenoot Rusland open te leggen. Voor het Britse Rijk vielen hierbij niet minder dan 250.000 doden, gewonden en vermisten te betreuren (Voor Turkije was dit getal ongeveer evengroot). Dit bezorgde hem bij zijn critici de bijnaam "slager van Gallipoli". Hij nam een groot deel van de verantwoordelijkheid op zich door af te treden als minister van Marine, hoewel de hoofdschuldigen de plaatselijke bevelhebbers waren. Toen er spoedig daarna een regering gevormd werd die uit alle partijen bestond, werd Churchill minister zonder portefeuille ("Chancellor of the Duchy of Lancaster"). Churchill voelde zich daar niet op zijn plaats en nam al snel weer ontslag uit de regering en voegde zich bij het leger. Hij diende aan het westelijk front, maar bleef lid van het Lagerhuis.

In 1917 werd hij minister van Munitie. Toen de Eerste Wereldoorlog was afgelopen was hij zowel minister van Oorlog als minister van Luchtvaart geweest. Hij stelde in 1919 voor om gifgas te gebruiken "als experiment tegen weerspannige Arabieren". In zijn ogen was het gebruik van chemische wapens slechts de toepassing van de Westerse wetenschap op moderne oorlogsvoering. Ook was hij er voorstander van om in te grijpen in de Russische Oktoberrevolutie. Hij zag het als zijn persoonlijke queeste om het Bolsjewisme te wurgen bij de geboorte. Hij werd minister van Koloniën en was de ondertekenaar van het Engels-Ierse Verdrag van 1921.

In 1924 werd hij benoemd tot Chancellor of the Exchequer, oftewel minister van Financiën. In 1925 werd hij weer lid van de Conservatieve Partij.

Bij de verkiezingen van 1929 werden de Conservatieven verslagen. Door interne meningsverschillen werd Churchill geen leider van de partij. Toen de eerste Labourpremier Ramsay MacDonald een coalitie-regering vormde was er geen plaats voor Churchill, die toen zijn tijd maar besteedde aan schrijven. Na 1933 was hij één van de weinigen in zijn land die erop wezen dat de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland tot een nieuwe oorlog zou leiden, en pleitte voor een sterker leger. De slachtpartijen van de "Great War" lagen echter nog zo vers in het geheugen, dat men de realiteit niet onder ogen wenste te zien. Hij was een fel tegenstander van Neville Chamberlains "appeasement"-politiek. Zijn positie als roepende in de woestijn werd nog erger toen hij partij koos voor Edward VIII bij diens dramatische keuze voor een huwelijk met de gescheiden vrouw Wallis Simpson, wat Edward de troon kostte.

In 1937 schreef Churchill het 70 jaar later opgedoken controversiële artikel "How The Jews Can Combat Persecution" dat een verbod kreeg op publicatie. Hierin nam hij de joden onder meer kwalijk dat ze niet wilden integreren en te veel rente rekenden voor leningen (met gebruik van de term "Hebreeuwse bloedzuiger"), en dat ze daardoor hun vervolging zelf in de hand hebben gewerkt. Hij volgde hiermee de standpunten van de Engelse fascistische partij BUF, Oswald Mosley's British Union of Fascists, die een jaar eerder was opgericht, en antisemitische rellen leidde in de Londense Cable Street. Het was niet de enige nare eigenschap van de Grote Staatsman. Behalve een rabiate antisemiet was Churchill ook een notoire dronkaard. Daarnaast had hij een aan haat grenzende antipathie tegen alles wat Duits was, en ten opzichte van de gekleurde volkeren van het Britse Wereldrijk uitte hij zich vaak op minachtende, laatdunkende toon.

De Tweede Wereldoorlog

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd Churchill wederom Minister van Marine ("First Lord of the Admiralty"). Toen Neville Chamberlain als premier aftrad werd hij opgevolgd door Churchill. Zijn vriend, vertrouweling en krantenmagnaat Max Aitken werd toezichthouder op de vliegtuigproductie.

Kort na de Battle of Britain (zomer/herfst 1940) verklaarde hij: "Nimmer tevoren zijn zo velen zoveel verschuldigd geweest aan zo weinigen."

Door zijn persoonlijke vriendschap met de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt was Engeland verzekerd van de aanvoer van goederen via de Atlantische Oceaan. Het stak zich voor deze goederen wel diep in de schulden. Om de financiële situatie niet al te zeer aan te tasten werd de Lend Lease-constructie bedacht: het Amerikaanse leger kreeg vrij toegang tot Engeland en haar koloniën om daar legerbases op te zetten.

Sommige van zijn militaire acties zijn controversieel. Disproportioneel geweld zoals terreurbombardementen op open Duitse steden zonder enige militaire noodzaak gingen dag en nacht door. Triest dieptepunt was het fosforbombardement op de met vluchtelingen volgestroomde stad Dresden - tot dan toe gespaard gebleven - in febr. 1945, waarbij tienduizenden burgers omkwamen. In totaal liet de RAF op Duitsland en de door Duitsland bezette gebieden meer dan 1.000.000 ton bommen neer (ter vergelijking: de Duitsers op Engeland 70.000 ton).

Churchill was ook één van de drijvende krachten achter de verdragen die de grenzen van de Europa en Azië van voor de Tweede Wereldoorlog veranderden. De grens tussen Noord- en Zuid-Korea werd voorgesteld op de Conferentie van Jalta, zoals ook de verwijdering van Japanse troepen uit dat gebied. Voorstellen voor de Europese grenzen werden pas gedaan in 1943 door Roosevelt en Churchill. De definitieve grenzen werden uiteindelijk in 1945 te Potsdam door Churchill, Stalin en Truman bepaald.

Onderdeel hiervan was het deporteren van Duitsers uit de betreffende gebieden. De exacte getallen van de verplaatsingen van bevolkingsgroepen over de Duits-Poolse en Pools-Russische grenzen zijn moeilijk te bepalen, maar het waren vooral miljoenen Duitsers, die met geweld uit hun voormalige Ostgebiete werden verdreven. Naar schatting zijn hierbij minstens twee miljoen Duitsers omgekomen.

Hoewel Churchill een (zeer) belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog heeft gespeeld, heeft hij veel vijanden in zijn eigen land gemaakt. Onder andere zijn kritiek op de onafhankelijkheid voor Brits Indië - hij noemde Mahatma Gandhi een "opruiend advocaatje verkleed als fakir" - en op sociaal vooruitstrevende ideeën zoals openbare gezondheidszorg en beter onderwijs voor het volk, veroorzaakte veel onvrede, met name onder de veteranen uit de Tweede Wereldoorlog. In de verkiezingen die gehouden werden toen de oorlog was afgelopen, werden Churchill en zijn Conservatieve Partij met een groot verschil aan stemmen verslagen door Clement Attlee en diens Labour Party.

De tweede termijn

Nadat de Labour Party in 1951 verslagen was, werd Churchill opnieuw premier. In 1953 werd hij Ridder in de Orde van de Kousenband (en werd daarna Sir Winston genoemd), ook kreeg hij de Nobelprijs voor de literatuur voor zijn vele boeken over de Engelse en de wereldgeschiedenis. Een beroerte in juni 1953 had als gevolg dat hij aan zijn linkerkant tijdelijk verlamd raakte. De bevolking kreeg niet te horen dat de gezondheid van de premier erg slecht was. In 1955 legde Churchill zijn premierschap om gezondheidsredenen neer. Hij bleef nog wel hoofd van de Universiteit van Bristol. In 1956 kreeg hij van de stad Aken de Karelsprijs, voor zijn ideeën over een Verenigde Staten van Europa. In 1959 erfde hij de titel "Father of the House": hij was het langstzittende parlementslid sinds 1924 en zou dit blijven tot zijn afscheid van het Lagerhuis in 1964.

De laatste dagen

Op 15 januari 1965 kreeg Churchill een tweede beroerte en negen dagen later stierf hij op 24 januari 1965. Hij werd drie dagen opgebaard in de Westminster Hall en kreeg een staatsbegrafenis. Churchill werd begraven in het familiegraf op Saint Martin's Churchyard, Bladon, vlakbij Woodstock in Oxfordshire.



Dit artikel valt onder de GNU-licentie voor vrije documentatie