Duits-Oost-Afrika
Een opstand van Arabieren onder Boesjiri die hun slavenhandel bedreigd zagen (1889/90) werd door rijkscommissaris majoor Wissmann neergeslagen, omdat de Maatschappij er te zwak voor was; zij stond per 1 jan. 1891 het bestuur aan het Rijk af en was sindsdien alleen nog een handelscompagnie (plantages, mijnbouw, bankwezen).
In de Eerste Wereldoorlog werd Duits-Oost-Afrika door Britse troepen uit Engeland, Zuid-Afrika en Brits-Indië, door Belgen en Portugezen aangevallen. Het koloniale leger onder de bewonderenswaardige leiding van v. Lettow-Vorbeck hield tot het einde van de oorlog vier jaar lang stand tegen een meervoudige, soms wel 20-voudige overmacht. De Engelsen werden 3-5 nov. 1914 bij Tanga, 18 jan. 1915 bij Umbu en Jassini verslagen. Voor de massale concentrische aanval van de Engelsen in het voorjaar van 1916 onder Smuts, later onder Deventer, week Lettow-Vorbeck naar het moeilijk toegankelijke zuiden uit en voerde in feite een even dappere als succesvolle guerrilla. In sept. 1916 viel Tabora. Lettow-Vorbeck wist steeds weer aan een dreigende omsingeling te ontkomen, zegevierde 15-18 aug. 1917 bij Mahiwa, brak naar Portugees-Oost-Afrika door en werd ten slotte op Engels grondgebied (Noord-Rhodesië), zonder overwonnen te zijn, verrast door het bericht van de wapenstilstand, nog 30 officieren, 125 andere blanken en 1165 Askari's sterk.
Na de verdragen van 1919/20 kreeg Portugal de Kiongadriehoek ten zuiden van de monding van de Rovuma, België het grootste deel van Roeanda en Oeroendi, en Engeland al het overige, beide laatste staten als gevolmachtigden van de Volkenbond. Engeland had daarmee zijn doel, een aaneengesloten gebied van de Kaap tot aan Caïro bereikt en zijn positie in de Indische Oceaan versterkt. Tegen het plan om het "Tanganjika-Territorium" (zoals het sinds 1 febr. 1920 heette) met Kenia en Oeganda te verenigen, tekende Duitsland protest aan, omdat dit in strijd met de verdragen was. Maar de stille hoop de kolonie ooit terug te krijgen, ging nimmer in vervulling.