Duitse oorlogsschepen beschieten Yarmouth (1914)

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Driemaal – op 3 november 1914, op 16 december 1914 en op 25 april 1916 – hebben Duitse kruisers voor de Engelse oostkust gestaan en Great Yarmouth, Hartlepool, Whitby, Scarborough en opnieuw Great Yarmouth en Lowestoft straffeloos kunnen beschieten. Het waren gevaarlijke operaties, die de machtige Engelse vloot evenwel niet heeft kunnen verhinderen. Daarentegen is het de Engelsen nooit gelukt doelen langs de Duitse Noord- of Oostzeekust te treffen.

De eerste "raid" vond - zoals gezegd – plaats op 3 november 1914 en was gericht tegen de Engelse havenplaats (Great) Yarmouth. Het was voor het eerst tijdens de oorlog dat het grootste deel van de Duitse oppervlaktevloot in de Noordzee tot actie overging. Het inzetten van de vloot om de tegenstander te binden zou de druk op het front verlichten en van groot belang kunnen zijn voor de strijd in Vlaanderen en het veroveren van de Kanaalhavens, maar deze opvatting was tot teleurstelling van de Duitse legerleiding niet aan de chef van de marinestaf, admiraal v. Pohl besteed, die tot nog toe alleen maar onderzeeboten had ingezet, evenwel met beperkt resultaat, wat trouwens de Engelsen er ook niet van had weerhouden operaties in de richting van de Duitse Bocht uit te voeren. Maar op aandringen van de bevelhebber van de slagvloot, de Hochseeflotte, admiraal v. Ingenohl, werd op 28 oktober 1914 besloten tot het leggen van mijnen tussen het lichtschip van Smith's Knoll en Lowestoft om het zeeverkeer tussen Het Kanaal en de Engelse oostkust, alsmede de in dit seizoen zeer intensieve Engelse visserij ten oosten van Yarmouth te verstoren, waarna in zuidelijke richting moest worden opgerukt om vijandelijke patrouilles te vernietigen, alles onder dekking van zware eenheden, nadat een eerdere poging met lichte kruisers vanwege de verscherpte bewaking langs de kust voortijdig moest worden opgegeven. Om het leggen van mijnen zoveel mogelijk voor de vijand verborgen te houden moesten slagkruisers Great Yarmouth beschieten om de aandacht af te leiden. Het volgende telegram ging op 29 oktober naar het hoofdkwartier:

"Ben voornemens eind deze week door snelle lichte kruisers mijnen bij Yarmouth te laten leggen gedekt door 1ste en 2de verkenningsgroep en snel torpedobootflottielje. 1ste en 3de eskader, 3de en 4de verkenningsgroep en overige snelle flottieljes blijven paraat ongeveer 40 zeemijl noordelijk van lichtschip Terschelling. Westelijk daarvan is linie onderzeeboten paraat. Duur van operatie hoogstens 30 uur."

Binnen de marinestaf in Berlijn werd het lang verwachte initiatief van de vloot enthousiast begroet. Nog dezelfde avond kwam uit het hoofdkwartier het bericht, dat de keizer akkoord met het plan ging en erop vertrouwde dat er voldoende luchtverkenning zou zijn om te voorkomen dat de eenheden op de terugweg zouden worden afgesneden.

Op dat moment was er een storm uit het oosten opgestoken die ook de volgende dagen aanhield en de onderneming tot 3 november vertraagde, zodat men pas kon vertrekken, toen de gevechten in Vlaanderen, waarop de operatie overigens slechts van beperkte invloed had kunnen zijn, al voorlopig waren beëindigd. Op 2 november voeren de twee enige onderzeeboten, die de laatste tijd nog actief waren geweest, U 27 en U 30, de Eems op. Dezelfde dag kozen U 6 (Steinbrinck), U 14 (Schwieger), U 21 (Hersing) en U 22 (Hoppe) vanuit de Eems zee, om in het kader van het aanvalsplan een 30 zeemijl lange onderzeebootketen bij Terschelling te vormen. Alle andere onderzeeboten werden, de verdediging van Helgoland tijdelijk prijsgevend, bij de Eems samengetrokken, terwijl torpedoboot- en mijnenjagerflottieljes de Bocht van Helgoland op mijnen en vijandelijke onderzeeërs controleerden. Om 13.30 uur waren de 1ste en 2de verkenningsgroep onder schout-bij-nacht Hipper en het 1ste en 3de eskader onder vice-admiraal v. Lans en schout-bij-nacht Funke met de hierbij ingedeelde torpedobootflottieljes op de Rede van Schillig (uitgang van de Jade-Baai) en de 3de en 4de verkenningsgroep op de Wezer samengetrokken. Maar de schepen van het 2de eskader onder vice-admiraal Scheer konden niet aan de voorgenomen krijgsverrichtingen deelnemen, aangezien ze op de werf in Kiel lagen voor het aanbrengen van bescherming tegen torpedotreffers. (Met "eskader" worden hier slagschepen en linieschepen bedoeld en met "verkenningsgroep" slagkruisers en kruisers.)

Na een vergadering van de admiraals op het vlootvlaggenschip lichtten de kruisers van schout-bij-nacht Hipper op 2 november om 16.30 uur het anker en koersten via Helgoland in noordwestelijke richting, met een grote boog om de Nederlandse waddeneilanden heenvarend om vijandelijke onderzeeboten en spionnen te ontwijken, met een vaart van 20 knopen op de zuidwestkust van Engeland af. De lichte kruisers Strassburg en Graudenz vormden de voorhoede, 3 zeemijl erachter de slagkruisers Seydlitz, Moltke, Blücher en Von der Tann, terwijl de lichte kruiser Kolberg met de met mijnen volgeladen Stralsund in het kielzog van de slagkruisers volgde. Van het oorspronkelijke plan een torpedobootflottielje toe te voegen was afgezien. Er stond nog steeds een zware zee en als het weer opnieuw zou omslaan, zouden de torpedoboten de noodzakelijke snelheid niet kunnen volhouden. Om 18.00 uur volgden het 1ste en 3de eskader met het vlaggenschip op vrijwel dezelfde koers als de kruisers. Eerst met 10, later met 12 knopen opstomend, verspreidden de eskaders zich om 22.00 uur in zeven afzonderlijke colonnes met 2 zeemijl tussenruimte om met deze, in vredestijd zo dikwijls geoefende formatie, gedurende de nachtelijke opmars tegen eventuele aanvallen van torpedojagers gewapend te zijn.

Nadat deze eenheden waren uitgelopen namen de overige strijdkrachten van de vloot, in opperste staat van paraatheid, hun posities in: het 5de eskader op de Beneden-Elbe, het 6de op de Boven-Jade. De mijnenleggers Albatros en Nautilus waren gereed om onmiddellijk mijnversperringen aan te brengen, mocht dat nodig zijn, en ook de hospitaalschepen lagen onder stoom, gereed om direct uit te varen.

Bij de oprukkende strijdkrachten verliep de nacht zonder dat er iets bijzonders voorviel. Er stond een windkracht 2 uit oostzuidoost bij sterk nevelig weer, maar het was niet al te donker en van tijd tot tijd liet de maan zich zien. Geschut, schijnwerpers en lekdienstposten waren bemand, de oorlogsvlag gehesen. Het vooruitzicht, eindelijk eens de vijand uit te kunnen dagen, hield de gemoederen bezig. Sinds de tijd van admiraal De Ruyter had geen enkele vloot het gewaagd, de kanons vlak voor de Britse kust te laten spreken. Tegen middernacht passeerden de kruisers ongeveer op de lengtegraad van Terschelling de eerste vaartuigen in dit sinds het uitbreken van de oorlog gewoonlijk verlaten gebied. Het waren vissers, die echter evengoed vijandelijke spionnen konden zijn, als dat ze met de vreedzame uitoefening van hun beroep bezig waren. Om 4.15 uur stuitte men op een tweede linie vissersschepen en daarna nam hun aantal voortdurend toe, tot in de buurt van Smith's Knoll (lichtschip voor de kust van Yarmouth) hele vissersvloten met uitgeworpen netten de zee bedekten, maar het leek er toch niet op, dat ze iets in hun schild voerden. Geen enkele keer werden bij het passeren alarmsignalen opgevangen. Een paar maal ontstaken enkele zeilschepen rode en witte fakkels, maar deze schepen hadden gelet op type en takels meestal de Nederlandse nationaliteit. Nu deed zich het ontbreken van een torpedobootflottielje gevoelen. Het zou eenvoudig zijn geweest, een aanzienlijk deel van de Engelse vissersschepen, na de bemanningen aan boord te hebben genomen, in de grond te boren en de Britse oorlogsvoering daarmee ernstige schade toe te brengen. De kruisers konden dat niet doen, omdat ze vanwege het onderzeebootgevaar niet mochten stoppen om zich van hun hoofddoel te laten afleiden. Slechts een paar Engelse vaartuigen, voor een deel ook motorboten zonder netten, begaven zich bij het zien van de kruisers met hoge vaart naar Yarmouth. De meeste echter meenden een Brits eskader voor zich te hebben, bleven rustig voor hun netten liggen en hesen de Britse vlag.

Dat het bij het aansturen van de kust wemelde van Engelse en neutrale vissersschepen was al vervelend, maar spoedig doemden nog grotere problemen op. Bij Helgoland hadden de navigatieofficieren van de kruisers vanwege het nevelige weer geen duidelijk vertrekpunt kunnen bepalen. Een vergelijking tussen de bestekken van de schepen om 5.30 uur 's morgens liet afwijkingen zien die opliepen tot 10 zeemijl. Hoewel dit door de onberekenbare stromingen in de Noordzee op zichzelf niets bijzonders was, was de onzekerheid over de positie natuurlijk van invloed op de leiding van het kruisersmaldeel. Nu pas werd het gevaar in zijn volle omvang duidelijk: met hoge vaart liepen de schepen, die soms een diepgang van 9 of 10 meter hadden, op de zandbanken voor de kust toe, zonder dat men mocht aannemen, dat lichtschepen of bakens, zoals in vredestijd, tijdig elk gevaar aanduidden. Stonden de schepen dus een paar mijl noordelijker, zoals berekend, dan konden ze gemakkelijk op de zandbanken lopen. Als dat gebeurde, was het gestrande schip aan vijandelijke onderzeeboten en oorlogsschepen overgeleverd. Geen gevecht op open zee kon de leiding van een vlooteenheid voor een lastiger en ondankbaarder taak geplaatst hebben dan een kustbeschieting waarvan het de vraag was of de resultaten de inzet wel rechtvaardigden. De Duitse vloot was getraind in gevechten tussen eskaders en kreeg door de omstandigheden nu te maken met een opdracht, die niet was geoefend en waarmee nog geen ervaring was opgedaan.

Volgens het bestek van het vlaggenschip moest al om 6.30 uur Smith's Knoll bereikt zijn. Op grond hiervan begon daarom Stralsund, fregatkapitein Harder, in het kielzog van de slagkruisers varend, nu met het leggen van mijnen om te voldoen aan de opdracht om het Halsborough Gat te versperren. Al om 6.15 uur was de snelheid teruggebracht tot 15 knopen om de zeediepte te kunnen peilen. Moeizaam baanden de kruisers, voortdurend dieplood uitwerpend, zich een weg tussen de ontelbare visservaartuigen, Engelsen en Hollanders, op steeds veranderende koers. Maar de diepte nam niet, zoals verwacht, af, en het lichtschip van Smith's Knoll kwam evenmin in zicht. Men was dus kennelijk te vroeg begonnen met het leggen van mijnen. Dit beseffend liet de commandant van de Stralsund de mijnen met grotere tussenpozen uitzetten, om voldoende over te houden voor de versperring van het binnenwater. Ook liet hij in de nabijheid van de vissersboten geen mijnen uitzetten en probeerde te voorkomen, dat men de mijnen te zien kreeg om geen argwaan te wekken. Ineens, een uur later dan verwacht, werd een rode boei met het opschrift "Smith's Knoll Watch" ontdekt. Als deze plek klopte was dan eindelijk de positie bij het lichtschip bereikt. Reeds achtte men iedere twijfel uitgesloten, toen de door het vlaggenschip gepeilde diepte plotseling tot 15 m afnam. Spoedig daarop zag men een geelgroen gestreepte boei aan bakboord en dacht dat men nu de zuidrand van de Hearty Knoll Bank had bereikt. Dit leidde ertoe dat men om de zandbanken te ontlopen, afdraaide op een zuidwestelijke koers. Pas toen door de voorhoede op Strassburg, fregatkapitein Retzmann, een lichtschip met één mast, vermoedelijk dat van Cross Sand, werd gemeld en daarmee eindelijk een enigszins betrouwbaar aanknopingspunt voor de navigatie was verkregen, kon weer op kust worden aangestuurd, die echter achter dichte nevels verborgen bleef.

Met hoge snelheid stuurde schout-bij-nacht Hipper nu op een koers, west ten noorden, op het zojuist gesignaleerde lichtschip aan om in de buurt daarvan met de beschieting van Great Yarmouth te beginnen. Maar hij was daar nog niet aangekomen of hij merkte een aantal kleine oorlogsschepen op, die dicht onder de kust voeren en draaide, naar later bleek voor de beschieting te vroeg, naar het zuiden af, om de langszijde van zijn vlaggenschip tegen de vijandelijke schepen in stelling te brengen. Spoedig hierop werd een vaartuig met twee schoorstenen en twee masten als een torpedokanonneerboot van de Halycon-klasse herkend met vlak daarbij een oudere torpedobootjager (Lively) en verderop nog een (Leopard). Met schijnwerpers werden ze door de eerste gepraaid, en pas de inslaande granaten maakten hun duidelijk dat ze niet met Engelse, maar met Duitse schepen van doen hadden. Het was opvallend, dat ze niet beter op de hoogte waren van de posities van de eigen strijdkrachten, anders hadden ze kunnen weten, dat die op deze morgen niet voor Yarmouth verwacht werden.

Nog voordat de slagkruisers op zuidkoers zwenkten, hadden de lichte kruisers Strassburg, fregatkapitein Püllen en Graudenz, fregatkapitein Retzmann, zich op de tegenstander gestort en om 8.15 uur 's morgens op 85 en 77 hm het vuur geopend. Men zou het vernietigen van de Engelse schepen gerust aan hen hebben kunnen overlaten, maar of Hipper nu na de urenlange vertraging van de opmars vijandelijke tegenmaatregelen vreesde, hetzij dat hij de vernietiging van de eerste tijdens de zeeoorlog gesignaleerde tegenstanders zelf voor zijn rekening wilde nemen, hij riep Strassburg en Graudenz terug, en beval hen aan de kop van de formatie te blijven, en gaf Seydlitz verlof om te vuren. Dit door vlag- en telegrafiesignalen gegeven bevel werd op Moltke en Blücher verkeerd begrepen. Nog vóór Seydlitz opende Moltke het vuur, dan viel Blücher bij, en minutenlang werd in een niet te beteugelen strijdlust de discipline geheel uit het oog verloren. Achter de door de salvo's veroorzaakte waterzuilen was de kleine tegenstander op een afstand van 98 tot 170 hm al snel volledig verdwenen, iedere waarneming werd onmogelijk, en door voortdurend te manoeuvreren gelukte het hem, zich aan het Duitse vuur te onttrekken. Hoewel Moltke, commandant kapitein ter zee v. Levetzow, het vuur van 8.12 uur tot 8.26 uur op de vijand richtte, leek dit geen enkel resultaat te hebben. Seydlitz, commandant kapitein ter zee v. Egidy en Blücher, commandant kapitein ter zee Erdmann, gingen al na drie minuten op het beschieten van de kust over, gelijk met Von der Tann, commandant kapitein ter zee Hahn, wiens geschut tot nog toe had gezwegen. Ze richtten de kanons op de North- en South-Star-Battery, op de zgn. vleugelbatterij en op het station van de kustwacht. Maar de condities waren uiterst ongunstig, omdat de schepen wegens het gevaar van onderzeebootaanvallen met hoge snelheid steeds van koers moesten veranderen en alle doelen bovendien nog achter dikke nevels schuilgingen. Eerst langzamerhand kwamen enige aanknopingspunten, zoals de hoogoprijzende Nelsonzuil, duidelijker in zicht. Omdat men daarmee al had rekening gehouden, werd indirect geschoten, eerst volgens navigatiegegevens, dan via hulpdoelen, en wel door Seydlitz op 130 tot 150 hm, door Blücher op 194 hm en door Von der Tann op 190 tot 200 hm. Eerst vanaf heel grote afstand werd de kust bereikt. Daarentegen werden al snel na het openen van het vuur door Blücher inslagen van vijandelijk geschut in de nabijheid van de Duitse schepen vastgesteld, die evengoed door de kustbatterijen als van Halycon afkomstig konden zijn, die het vuur van tijd tot tijd beantwoordde. Daar bij het nevelige weer en de grote afstand niet kon worden vastgesteld of het Duitse vuur resultaat had, werd dit reeds na een paar minuten afgebroken en nog eenmaal kort op Halycon gericht. Om 8.31 uur vuurde Von der Tann vanaf 136 hm het laatste schot op dit doel af. Daarna gelukte het de drie Britse vaartuigen via een inham te ontkomen. Reeds tijdens het gevecht echter had er een het volgende, ongecodeerde radiobericht verzonden, dat door de Duitse kruisers was opgevangen:

"Two battle-cruisers and two armoured cruisers opened fire on "Lively" and myself."

De lichte kruisers Kolberg, commandant fregatkapitein Widenmann, en Stralsund waren bij het begin van de beschieting in het kielzog van de slagkruisers gevolgd. De eerste moest de slagkruisers tijdens het leggen van de mijnen voorgaan. Toen bleek dat de schepen na de peilingen zich minstens 2 zeemijl verder uit de kust bevonden dan oorspronkelijk was voorzien, verliet Kolberg de formatie, om de mijnenkruisers te begeleiden, die ook dicht onder de kust mijnen moesten leggen. Doch een radiosignaal van het vlaggenschip riep beide schepen naar de zware kruisers terug. Het nog verder naderen van de kust moest wegens het gevaar van onderzeeboten en mijnen worden voorkomen. Het leek Hipper beter om de mijnen bij Smith's Knoll en het Halsborough Gat te leggen op de toegangsroute naar Het Kanaal. Maar uit een reeds om 12.35 uur door Blücher opgevangen radiobericht op een golflengte tussen 900 en 1000 m:

"Many mines are laid vicinity of Smith's Knoll this morning"

bleek dat de operatie niet geheim gebleven was.

Om 8.56 uur was het leggen van mijnen afgerond. Afgezien van het onderzeebootgevaar, was de situatie van de kruisers hachelijk, omdat ze zich tussen de mijnenvelden bevonden. Bij een confrontatie met een sterkere tegenstander zouden ze nauwelijks ruimte hebben om uit te wijken. Daarom moesten ze zo snel mogelijk ten oosten van het gebied zien te komen, waar Stralsund mijnen had gelegd. Daarom ook, mede gelet op het opgelopen tijdverlies, werd de geplande opmars in zuidelijke richting opgegeven en de kortste weg naar Terschelling genomen. De vier lichte kruisers werden als voorhoede 5 zeemijl naar stuurboord vooruitgestuurd.

Tijdens de beschieting had het Duitse gros een wachtstelling betrokken op ongeveer 60 zeemijl ten noordwesten van Terschelling. Vijandelijke strijdkrachten of verdachte vaartuigen waren niet aangetroffen op twee stoomschepen na, die om 4 uur 's nachts door torpedoboten van de voorhoede waren geïnspecteerd. De afstand tussen de slagkruisers bij de vijandelijke kust en het gros bedroeg rond die tijd ca. 100 zeemijl. Een directe rugdekking voor de kruisers was er dus niet. Het risico, dat voor de kostbare schepen aan de operatie was verbonden, werd door de bevelhebber van de Hochseeflotte, admiraal v. Ingenohl ten volle beseft. De kruisers waren weliswaar sneller dan vijandelijke slagschepen als die mochten ingrijpen, maar een onverwachte torpedotreffer, mijnschade of problemen met de machine van slechts één schip was van invloed op de snelheid van de gehele eenheid, en dan zou hulp van een verafgelegen vloot te laat komen. Steeds weer leidden de richtlijnen van de chef van de marinestaf tot halve maatregelen, die op een dag noodlottig konden uitpakken. De grote afstand tussen gros en kruisers had er ongetwijfeld ook toe bijgedragen dat de operatie niet met de nodige rust en zelfverzekerdheid werd uitgevoerd.

Dat de vlootleiding nauwelijks rekening hield met problemen bij de kustbeschieting bleek wel, toen de eskaders nog voor het bericht van Hipper, dat de zaak geklaard was, al om 8.30 uur 's morgens rechtsomkeert maakten. Tussen 8 en 9 uur was er even een toename van Engelse radioverkeer, en om 10 uur 's morgens kwam de melding van Hipper binnen:

"Auftrag ausgeführt, Standort 028 α 6 oben, Kurs Ostnordost, 22 sm."

Daaruit werd afgeleid dat Hipper tussen 8 uur en 8.30 uur in noordoostelijke richting op de terugtocht was. Om 10.30 uur meldde Hipper evenwel, dat een vijandelijke kruiser voor de Duitse schepen uitvoer op dezelfde koers en dat er in noordnoordoostelijke richting diverse rookwolken waren gezien. Maar voorlopig was er voor het gros geen aanleiding aan te nemen dat de kruisers hulp nodig hadden en werd in oostelijke richting doorgevaren met de bedoeling, zo snel mogelijk in de buurt van Helgoland te komen, zodat het in het donker niet meer zou zijn blootgesteld aan aanvallen van vijandelijke torpedoboten en ook om ter vermijding van onderzeebootgevaar de duisternis te gebruiken om de riviermondingen binnen te kunnen lopen. Om 10.56 uur meldde Stralsund, dat de vijandelijke strijdmacht oostzuidoost stuurde. Het scheen dat de vijandelijke kruiser ver voor de pantserkruisers in oostelijk richting zou passeren. De opmars van het eigen gros werd voortgezet.

Van de Grand Fleet bevonden zich op het moment van de Duitse aanval slechts de slagkruisers en de lichte kruisers aan de oostkust in Cromarty in Schotland. Vandaar dat een begrijpelijke ontsteltenis volgde op de eerste radioberichten van Halycon, dat een overmacht aan vijandelijke strijdkrachten direct voor de kust stond, terwijl tegelijkertijd zware granaten op het strand van Yarmouth insloegen, zonder dat in de nevels van de herfstmorgen te zien was, wat zich op zee afspeelde. Van de in Yarmouth gestationeerde patrouille waren behalve Halycon alleen de beide torpedoboten Lively en Leopard bezig buiten de haven naar mijnen te zoeken. Pas op het kanongebulder liepen de andere boten uit. Maar toen ze buitengaats kwamen, was de vijand al in de mist verdwenen.

Toevallig bevonden zich echter ook drie onderzeeboten, E 10, D 3 en D 5, gereed om uit te varen in Gorleston (even ten zuiden van Yarmouth), om naar het Kattegat en Terschelling te gaan. Ook deze rukten onmiddellijk in de richting van de kruisers op, een bewijs, hoe terecht het was, dat admiraal Hipper bij de beschieting met aanvallen van onderzeeërs had rekening gehouden. De boten kwamen echter niet aan een aanval toe, en een ervan, D 5, liep niet op een Duitse, maar – zoals van Engelse zijde werd beweerd – op een Engelse mijn en zonk in minder dan een minuut met de gehele bemanning.

Direct na de eerste salvo's had torpedoboot Lively een rookgordijn tussen Halycon en de slagkruisers opgetrokken, en zo gelukte het aan het schip, met geringe schade en slechts drie gewonden aan het zware vuur te ontsnappen. Om 8.45 uur meldde het, dat de vijand, wiens sterkte en samenstelling nog steeds onduidelijk waren, naar het zuidwesten stuurde. Al eerder had commodore Tyrwhitt op het eerste alarm de kruisers Aurora en Undaunted via de radio bevolen zich bij Smith's Knoll te verzamelen. Hijzelf trachtte met Arethusa en een torpedobootdivisie, zodra deze gereed was, in volle vaart naar Terschelling op te rukken, om de tegenstander, wiens sterkte schromelijk werd onderschat, de pas af te snijden. Ook Aurora en Undaunted moesten daar naartoe varen. Pas toen Halycon, waarvan de radioinstallatie kennelijk defect was, om 9.30 uur 's morgens de haven van Yarmouth bereikte, kreeg men nauwkeuriger nieuws. De vijand bestond uit 4 slagschepen en 4 kruisers met vier schoorstenen en was op ongeveer 12 zeemijl van Lowestoft uit het zicht geraakt. Maar volgens een eerdere melding uit Gorleston bestond de vijand daarentegen uit een slagkruiser en drie of vier andere kruisers en stuurde op het zuiden aan. In deze redactie werd het bericht om 10 uur 's morgens door de admiraliteit aan admiraal Hood in Duinkerken en admiraal Beatty in Cromarty doorgegeven. Gelijktijdig werden de patrouilles van de kustwacht in de buurt naar het strijdtoneel gedirigeerd, alle beschikbare onderzeeboten in Harwich opgedragen om aan te vallen en die in Dover bevolen de wacht te houden bij de ingang van Het Kanaal. Admiraal Burney, de commandant van de "Kanaalvloot", werd eveneens gewaarschuwd, en Queen en Irresistible, de enige direct inzetbare linieschepen aan de zuidoostkust kregen bevel zich ter assistentie van de patrouilles gereed te houden. Gezien deze ontoereikende Engelse maatregelen werd het achteraf door de Duitsers betreurd, dat de oorspronkelijk geplande opmars van Yarmouth naar het zuiden wegens het inderdaad niet te onderschatten gevaar van mijnen en onderzeeboten, achterwege was gebleven.

Tegen de middag werd uit Yarmouth gemeld, dat het zeker was dat twee slagkruisers en vier lichte kruisers bij de beschieting waren betrokken. Commodore Tyrwhitt, die al op zee was, werd daarom door de admiraliteit gewaarschuwd, zich niet te laten afsnijden. Voor het geval echter, dat de kustbeschieting de inleiding was voor een grotere vijandelijke operatie werd aan Beatty in overweging gegeven om zo spoedig mogelijk naar een punt ten noorden van Helgoland op te stomen, waar hij de lichte kruisers uit Scapa zou ontmoeten, om de vijand in een gezamenlijke actie de pas af te snijden. De Grand Fleet werd van deze maatregelen op de hoogte gesteld. Intussen verlieten de slagschepen de basis Lough Swilly (Noord Ierland) om zich in Scapa te verzamelen. Ook het 3de slageskader, op dat moment ten noordwesten van Ierland, werd naar Scapa teruggeroepen. Maar dit alles zou slechts van nut kunnen zijn als de Duitse operatie in noordelijke richting zou worden voortgezet. Voor een Duitse opmars naar Het Kanaal kwam het slageskader te laat. Daarom werd de "Kanaalvloot" onmiddellijk van Portland naar Spithead verplaatst, terwijl Venerable en vijf onderzeeboten uit de Nore met de linieschepen Queen en Irresistible de Theemsmonding beschermden.

Tegen 12 uur 's middags liep een vissersboot Lowestoft binnen. Men vertelde, dat de Duitsers bij Smith's Knoll een mijnversperring van 5 zeemijl lengte hadden gelegd. Een algemene waarschuwing van de admiraliteit volgde daarop onmiddellijk. Intussen had de kruiser Aurora reeds tegen 11 uur 's morgens deze mijnversperring gekruist zonder op een mijn te zijn gelopen, een bewijs, dat men het gevaar van een enkele rij mijnen die op een onderlinge afstand van meer dan 40 m waren gelegd, niet overschatten moest.

Intussen stuurde Tyrwhitt met Arethusa en zes torpedojagers op Smith's Knoll aan, zodat Undaunted met de torpedoboten eerst alleen naar Terschelling voer. Op de 53ste breedtegraad aangekomen, zag dit schip echter vier Duitse kruisers achter zich, die het, vanaf de Engelse kust komend, schenen te achtervolgen. Twee ervan hield het voor pantserkruisers van de Roon-klasse. Het was niet voor het eerst, dat Strassburg en Stralsund door hun vier schoorstenen door de Engelsen met een ander schip verwisseld werden. Undaunted onttrok zich aan de Duitse schepen, door eerst naar het noorden, dan met hoge snelheid naar het westen uit te wijken om de vijand opnieuw naar de Engelse kust te lokken. Toen dit niet gelukte, draaide Undaunted op dezelfde koers als de opponent en volgde op afstand. Tyrwhitt ondertussen had om 12.30 uur het lichtschip van Corton bereikt, kruiste dan tweemaal met evenveel geluk als Aurora de Duitse mijnversperring en probeerde snel varend aansluiting bij Aurora en Undaunted te krijgen. Doch reeds vroeg in de middag bereikte de commodore de order van de admiraliteit om terug te trekken, omdat de vijand veel te sterk was. Hij riep daarom beide schepen terug en zette zijn opmars via Terschelling naar de Duitse Bocht pas om 4 uur 's middags voort, nadat hij zijn strijdkrachten, 3 kruisers en 13 torpedojagers, op 53 graden NB ongeveer halverwege tussen Engeland en Nederland had samengetrokken. Door deze maatregelen was echter het contact met de vijand verbroken. Toen het niet gelukte, dit weer te herstellen, werden de slagkruisers en lichte kruisers van Beattty al snel teruggeroepen. Daarentegen maakte Tyrwhitt pas tegen middernacht rechtsomkeert, zocht nogmaals in brede formatie De Hoofden (trechtervormig deel van de Noordzee dat toegang geeft tot Het Kanaal) af, en vormde ter hoogte van het Maas-lichtschip een voorpostenlinie. Maar tegen de verwachting in bleven Duitse zeestrijdkrachten weg, zodat na enige tijd weer op de reguliere waakdienst werd overgegaan.

Het was schout-bij-nacht Hipper niet verborgen gebleven, dat spoedig na het beëindigen van de kustbeschieting en het leggen van mijnen vijandelijke strijdkrachten in de buurt kwamen. Reeds kort na 9 uur 's morgens werd door de Duitse voorhoede een lichte kruiser (Aurora) op zeer grote afstand aan de andere kant van de Duitse mijnversperring gemeld. Het Duitse smaldeel verhoogde daarop de snelheid tot 23 knopen om de afstand tot het eigen gros zo veel mogelijk te verkleinen voor het geval het tot een treffen met een vijandelijke overmacht zou komen. Tegen 10 uur werd in noordnoordoost een tweede kruiser met drie schoorstenen en één mast gezien (Undaunted), die met hoge vaart een oostelijke koers volgde. Rookwolken in zijn buurt verrieden de aanwezigheid van drie torpedojagers, die zelf slechts af en toe zichtbaar waren. Nog voordat op deze schepen kon worden afgegaan, draaiden ze naar het noorden af. Door hun hoge snelheid was al spoedig duidelijk, dat ze afgeschud noch vernietigd konden worden. Tegen 12 uur 's middags verschenen ze nogmaals voor korte tijd op zeer grote afstand, daarna raakten ze definitief uit het zicht. Hoewel het er eerst naar uitzag, dat ze een voorhoede vormden van sterkere strijdkrachten, kon later uit hun voortdurend uitwijken worden afgeleid, dat ze alleen waren.

Niet alle Duitse kruisers bleken te kunnen voldoen aan het bevel van Hipper om een hoge snelheid aan te houden. Tegen 11 uur 's morgens kon eerst Kolberg, daarna ook Von der Tann, af en toe het tempo niet meer bijhouden, Kolberg door schade aan een ventilator in de stookruimte, Von der Tann door slechte kwaliteit kolen. Daarentegen had de oudere en met een zuigermachine uitgeruste Blücher geen enkel probleem met de hoge snelheid. Om 13.45 uur werd de Duitse onderzeebootlinie voor Terschelling bij U 21 (Hersing) gepasseerd, die bij het herkennen van de eigen schepen opdook. Maar U 14 (Schwieger), de meest noordelijke boot in de linie, wilde tot de aanval overgaan, toen hij nog juist op tijd in de vermeende vijand met vier schoorstenen en twee masten Strassburg herkende. Om 14.00 uur stuurde Hipper drie lichte kruisers als voorhoede, en een als dekking aan bakboord ongeveer 4 zeemijl van de slagkruisers vooruit en ging op zigzagkoers, omdat bij het aansturen van de Duitse Bocht met vijandelijke onderzeeërs moest worden rekening gehouden. Eerst kort voor 19.00 uur passeerden ook de Britse kruisers de Duitse onderzeebootlinie, en wel in de buurt van de positie van U 6. De onderzeeboten hadden echter, overeenkomstig hun opdracht, bij het invallen van de duisternis de terugtocht aanvaard. Opkomende nevels bemoeilijkten voor hen, evenals voor de kruisers, het aansturen van de riviermondingen, maar toen het zicht even beter werd zagen ze Helgoland en bereikten kort na middernacht de buitenrede van de Jade, waar ze in de buurt van het lichtschip voor anker gingen, kort voordat de weer dichter wordende mist iedere navigatie onmogelijk maakte.Het gros was al om 22.00 uur binnenkomen en het vlaggenschip van de vloot, Friedrich der Grosse, was op de Rede van Schillig voor anker gegaan.

Vóór de operatie had men zich veel voorgesteld van de luchtverkenning door luchtschepen en vliegtuigen, maar daar was door de sterke oostenwind en op 3 november zelf door de mist, niets van terecht gekomen. Op deze dag was er wel verkenning van een enkel vliegtuig, maar dit had slechts de eigen schepen waargenomen. Het was niet te verwachten dat daarin vanwege het seizoen snel verbetering zou komen, maar aan de andere kant was helder weer niet wenselijk voor het welslagen van een dergelijke vlootoperatie, terwijl oefeningen tijdens het gedwongen stilliggen van de vloot nooit konden opwegen tegen praktijkervaring, zoals uit de fouten in de onderlinge communicatie tijdens de aanval op Yarmouth wel was gebleken. Aan deze indruk kon zich ook de chef marinestaf na overleg met de kabinetschef in het grote hoofdkwartier niet ontrekken, maar hij trok daaruit niet de conclusie dat de vloot voortaan actiever tegen de vijand diende te worden ingezet.

Helaas bleef een tragisch naspel niet uit. Op de Rede van Schillig, waar een groot aantal van de schepen, die aan de operatie hadden deelgenomen, het anker hadden laten vallen, hing op 4 november zulk een dichte mist, dat men vanaf het eigen schip niet verder kon zien dan het schip dat ernaast lag. De pantserkruiser Yorck, commandant kapitein ter zee Pieper, die tijdens de opmars voor dekking van het gros had gezorgd, haalde ondanks de dichte mist het anker op, om voor een dringend noodzakelijke reparatie van de drinkwatertank de Jade op naar Wilhelmshaven te varen. Hiertoe moest het schip de nauwe doorgang tussen een twee rijen dikke mijnversperring passeren, die de Rede van Schillig naar het zuiden toe afsloot. Hierbij raakte het schip door de veranderde stroom aan de verkeerde kant van het schip dat als baken fungeerde. Pas op 200 m afstand kwam dit in zicht, toen het reeds te laat was om het gevaar nog af te wenden. Sterk afdraaiend liep de pantserkruiser spoedig daarna, door de stroom naar het zuiden meegevoerd, met de zijkant eerst op één, direct daarop op een tweede mijn en kenterde. Een groot deel van de bemanning redde zich op het in het vlakke water met de kiel naar boven liggende wrak. Velen echter dreven, in het koude water snel verstijvend, de Jade op en konden maar voor een deel door torpedoboten, stoomschepen en van alle kanten toesnellende vaartuigen op tijd worden opgevist. Het lukte dankzij de energieke leiding van het reddingswerk door S.M.S. Hagen, commandant fregatkapitein v. Klitzing, die in de buurt van het ongeluk lag, toch nog 381 man, meer dan de helft van het aantal opvarenden, te redden.

In het onderhavige geval was het ongeluk weliswaar in eerste instantie aan het maar moeilijk te rechtvaardigen besluit van de leiding van Yorck te wijten om de mijnversperring bij dichte mist te passeren, maar er waren ook situaties denkbaar, waarbij het vaarwater van de Jade ook bij helder weer zo snel als maar mogelijk was moest worden doorlopen. Daarom had de vlootleiding van begin af aan tegen het aanbrengen van de versperring moeten protesteren, hoewel de oorlogshaven niet onder haar gezag viel. Ze had alleen geëist dat er voldoende plaats over moest blijven om te ankeren. Pas veel later werden de mijnen van de versperring gedemonteerd. Als het nodig zou zijn, konden ze weer worden geactiveerd, maar dat was nooit het geval, zodat de versperring er alleen maar voor heeft gezorgd, dat de eigen schepen in hun bewegingsvrijheid werden beperkt.

Lit.: Marine-Archiv: Der Krieg zur See 1914-1918. Der Krieg in der Nordsee. Bearb. v. O. Groos. 2. Bd. Von Anfang September bis November 1914. Berlin: Mittler, 1922, hfdst. 10.