Duitse slagkruisers beschieten Lowestoft en Yarmouth (1916)

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De Duitse slagvloot, de Hochseeflotte, legde na het aantreden van admiraal Reinhard Scheer, die begin 1916 de ziekelijke v. Pohl als bevelhebber was opgevolgd, een ongekende activiteit aan de dag. Werd het beleid van laatstgenoemde voornamelijk gekenmerkt door aarzeling en terughoudendheid, zodat de schepen nauwelijks werden ingezet voor de taken waarvoor ze bedoeld waren, onder Scheer begon een heftig offensief, ondersteund door luchtschepen en onderzeeboten met het doel, de Engelsen te dwingen hun eenheden te verspreiden, ze bij verrassing aan te vallen en bij gedeelten te vernietigen, en ten slotte uitmondend in de grootste zeeslag uit de maritieme geschiedenis, de Slag voor het Skagerrak, in Engeland de Slag bij Jutland genoemd, 31 mei/1 juni 1916.

Op 24 april 1916 was een aanval met sterke Duitse vlooteenheden op de Engelse kustplaats Lowestoft gepland. Een melding uit Noorwegen, dat op 23 april 's morgens vijandelijke eskaders 40 zeemijl zuidwestelijk van Lindesnes waren gezien, scheen samen met het feit, dat andere, naar het scheen sterke Engelse eenheden zich sinds de vroege morgen voor de Vlaamse kust bevonden, het beeld te bevestigen, dat de vijandelijke strijdkrachten gescheiden van elkaar, deels van uit de noordelijke Noordzee, deels van uit De Hoofden (zuidwestelijk deel van de Noordzee) en de havens aan de zuidoostkust van Engeland opereerden. De gelegenheid deed zich derhalve voor – en dat was het doel van de onderneming – positie te kiezen tussen beide delen van de vloot en het deel, dat het eerst kwam opdagen, met eenheden van gelijke of grotere sterkte aan te vallen. Er werd gehoopt, dat de tegenstander zich dit keer niet aan een confrontatie zou onttrekken, zoals dat eerder dat jaar op 5 en 6 maart het geval was geweest, als tot hem zou doordringen, dat plaatsen aan de Engelse zuidoostkust gevaar liepen beschoten te worden, wat sedert 1914 (zie artikel) niet meer was voorgekomen. De hiervoor gekozen plaatsen Lowestoft en Yarmouth waren beide van militair belang, de eerste als thuishaven van mijnenleggers en mijnenvegers, de tweede als basis van onderzeeboten die operaties naar de Duitse Bocht uitvoerden. Het vernietigen van haveninstallaties en zaken als vliegvelden, gasfabrieken, stations en schepen die zich in de havens bevonden, was niet alleen in het kader van de oorlogsvoering belangrijk, het zou de Engelsen volgens de Duitse admiraliteit ook verleiden een uitval in de richting van Terschelling te doen om de Duitse schepen na de aanval de terugweg af te snijden. Deze, voor een zeeslag gunstige plaats voor de Nederlandse waddeneilanden zou dan het eigenlijke sluitstuk van de operatie vormen. Misschien lukte het, de eenheden uit De Hoofden, die vermoedelijk niet alleen uit lichte strijdkrachten zouden bestaan, van twee kanten aan te vallen, nl. van uit het zuiden met de slagkruisers, en van uit het noorden met de vloot.

Door diverse oorzaken was de geplande beschieting van Lowestoft door de Duitse vloot, die oorspronkelijk op 24 april 1916 bij het aanbreken van de dag zou plaatsvinden, reeds een dag vertraagd, en bijna leek het, of het voornemen, om de 24ste met dit doel uit te lopen, opnieuw door acties van de vijand zou worden doorkruist, toen gewaarschuwd werd voor aanvallen van vijandelijke vliegtuigen, wat echter loos alarm bleek te zijn. De kruisers van de 1ste en 2de verkenningsgroep hadden met de flottieljes de Jade (zeeboezem bij de thuishaven van de Hochseeflotte, Wilhelmshaven) reeds verlaten om naar het westen op te rukken en de volgende morgen bij zonsopgang de Engelse kust bij Lowestoft te bereiken, toen om 11.35 uur admiraal v. Schröder, de commandant van het "Marinekorps" (uit reservisten gevormd legercorps, van 1914-18 belast met de bewaking van de Vlaamse kust), vanuit de basis Zeebrugge meldde, dat zich sinds 6 uur 's morgens een aanzienlijk aantal lichte Engelse zeestrijdkrachten voor de Vlaamse kust en de Scheldemonding bevond. Wat ze van plan waren was onduidelijk. Deze melding was belangrijk, want v. Schröder had toegezegd dat de aanval op Lowestoft door de mariniers zou worden ondersteund, en er zouden in de nacht vóór de opmars van de Duitse vloot zeven onderzeeboten van het type "UC" voor Harwich en in de Theemsmonding mijnen leggen, vier "UB"-boten een 17 zeemijl lange voorpostenketen zuidoostelijk van Southwold vormen en twee andere UB-boten ten zuiden van de 3 nov. 1914 tijdens de beschieting van Yarmouth aangebrachte mijnversperring zo nauwkeurig mogelijk positie kiezen, om de opmars van de kruisers in dit lastige gebied te vergemakkelijken.

Slechts UB 6, 1ste luitenant ter zee Voigt, stond al op 24 april op zijn post, daar hij niets had vernomen over het uitstel van de operatie, en wachtte vergeefs op de beschieting van de kust. Daarentegen liepen de andere voor de voorpostenketen bij Southwold en de stellingen ten oosten van Lowestoft bestemde onderzeeboten UB 10, UB 12, UB 13, UB 18 en UB 29 pas op 23 april uit, terwijl vijandelijke strijdkrachten al naar de Vlaamse kust oprukten. Toen dan bij het aanbreken van de dag (24 april) ook de UC-boten de haven van Zeebrugge verlieten, stuitten ze al spoedig op sterke vijandelijke tegenstand.

UC 7, 1ste luitenant ter zee Haag, die al om 4 uur 's nachts was uitgelopen, maakte onmiddellijk rechtsomkeert, alarmeerde de kust en probeerde vervolgens, evenals de andere UC-boten, door de vijandelijke linies heen te breken en open zee te bereiken. Deze poging gelukte evenwel alleen aan UC 6, 1ste luitenant ter zee v. Schmettow nog dezelfde dag, zodat deze na het passeren van ongeveer 20 torpedojagers reeds tegen middernacht zijn mijnen op de afgesproken plaats tussen Orfordness en Shipwash voor de noordelijke uitgang van Harwich kon leggen. Maar UC 7 moest na enige vergeefse doorbraakpogingen voor de kust bij Zeebrugge op de zeebodem wachten tot de duisternis inviel alvorens verder te kunnen, terwijl UC 5, 1ste luitenant ter zee Mohrbutter, nadat zijn batterij bijna op was, gedwongen werd, naar Zeebrugge terug te keren. Ook UC 1, 1ste luitenant ter zee Ramien, moest weer binnenlopen, nadat hij meermalen, maar zonder succes, door zoekapparatuur van patrouillerende Engelse vissersboten was ontdekt en ten slotte, onder water varend, in de inmiddels door de Engelsen uitgeworpen netten was terechtgekomen, maar kon zich daaruit onder heftige explosies van de in de netten aangebrachte mijnen vrijmaken. Nog zwaarder had UC 10, 1ste luitenant ter zee Nietzsche het. Deze boot was om 13.20 uur bij de Thornton-Bank eveneens in de netten geraakt en zonk temidden van zware explosies naar de bodem op 27 m diepte. De explosies hielden de gehele middag aan, waarbij de boot af en toe 15 graden slagzij maakte. Pas toen zich het geluid van de schroeven van vijandelijke patrouillevaartuigen verwijderde, kon de onderzeeboot om 21.35 uur opduiken, maar raakte om 23.30 uur 5 zeemijl ten noorden van het lichtschip Wandelaar, nu boven water varend, weer in een net, waarna men naar Zeebrugge terugvoer.

Intussen waren er voor de door UC 7 tijdig gealarmeerde Vlaamse kust zware luchtgevechten uitgebroken. Tegen 5 uur 's morgens had een vijandelijk vliegtuig zonder succes twee bommen op de sluis van Zeebrugge geworpen; daarna waren twee monitors, veel torpedobootjagers en vissersschepen voor de kust verschenen, en door de vliegtuigen 472, 537, 487, 547, 457 en 521, 1ste luitenant ter zee Faber, luitenant ter zee Rolshoven, luitenant der reserve Christiansen, luitenant ter zee Schüler en opperbootsman Meyer, intensief en naar het scheen met goed gevolg met bommen bestookt. Hierbij hadden de Duitse watervliegtuigen, die alleen bommen aan boord hadden maar verder niet bewapend waren het zwaar tegen de met machinegeweren uitgeruste dubbeldekkers van de vijand en konden deze alleen door duikvluchten ontwijken. Ten slotte werd tegen de middag door vliegtuig 503, gezagvoerder Riedel, ook een op afstand bestuurbaar schip (een onbemande motorboot met een grote lading explosieven, die vanaf de kust of door een vliegtuig met radiosignalen werd bestuurd) ingezet tegen de vijandelijke monitors. Dit naderde inderdaad na het afleggen van een afstand van 22,5 km tot op 4 zeemijl van de vijand, toen de motor het liet afweten, zodat het schip, om niet in de handen van de vijand te vallen, moest worden opgeblazen. Tegelijkertijd raakte vliegtuig 472 met Faber en luitenant ter zee Exner, 8 zeemijl ten noorden van Zeebrugge op 800 m hoogte in gevecht met een Nieuport-dubbeldekker, maar werd, nog voordat zich andere vliegtuigen in het gevecht konden mengen, ondanks een steile duikvlucht van alle kanten ingesloten en op 600 m hoogte neergeschoten. Het vliegtuig sloeg over de kop en explodeerde toen het op het water neerkwam.

De ervaringen van die dag toonden volgens de commandant van het vliegveld, 1ste luitenant ter zee v. Tschirschky aan, dat de vliegbasis Zeebrugge op dat ogenblik nog lang niet zo ver was, dat men in zulke situaties de belangrijkste taken: het inschieten van de artillerie, boten met afstandsbesturing inzetten en verkenningen uitvoeren achter de vijandelijke linies, naar behoren kon uitvoeren. Daarom werd vaak van verkenningsvluchten afgezien en moest men zich tot verdedigen beperken. Met de bewapening van de kust alleen had men de vijand niet kunnen hinderen bij zijn acties. Deze bestonden dit keer niet, zoals gedacht was, uit een beschieting, nog minder uit een landing op de kust of op het grondgebied van Nederland, waarvoor spionnen de laatste tijd steeds weer hadden gewaarschuwd, maar alleen uit het uitvoeren van het steeds aangekondigde, maar steeds weer verschoven plan van de opperbevelhebber in Dover, admiraal Bacon, om de doorgang tussen de Thornton Ridge-bank en de Belgische kust, evenals bij Noord-Hinder, door een dubbele rij dieptemijnen en netten te versperren, en daarmee het door schepen verlaten van Zeebrugge te bemoeilijken. Zes divisies vissersboten die de netten moesten uitzetten, vier grote en zes kleine mijnenleggers, de monitors Prince Eugene en General Wolfe, een torpedojagerdivisie van de M-klasse uit Harwich en de "Vlaanderen-patrouille" uit Duinkerken waren voor dit doel opgeroepen en hadden om 5 uur 's morgens (24 april) het uitgangspunt bereikt. Tot 8.30 uur was een 15 zeemijl lange, twee rijen dikke mijnversperring en een 13 zeemijl lange netversperring aangebracht, waarin mijnen zaten, die bij aanraking van het net door onderzeeboten tot ontploffing zouden komen. Daarop keerden de mijnenleggers met de hen begeleidende torpedobootjagers van de 2de divisie van de L-klasse uit Harwich, naar de haven terug, terwijl de vissersboten, die de netten hadden uitgezet, met de monitors, die ze rugdekking gaven, ter bewaking achterbleven.

Tegen de middag kregen daarom de drie grote torpedoboten van de vroegere halfflottielje Cleve, de huidige Z-flottielje Flandern, V 67, V 68 en V 47 opdracht, in noordelijke richting verkenningen uit te voeren en de Engelse vaartuigen te hinderen, maar zich niet van de kust te laten afsnijden en een direct gevecht te vermijden. Om 4 uur 's middags raakten de drie torpedoboten, geleid door de kapitein-luitenants Waitz, Steiner en Zander, toch in zware gevechten verwikkeld met de torpedojagers Medea, Murray, Melpomene en Milne, die onmiddellijk ter dekking van de naar het noorden wegtrekkende vissersboten waren opgerukt. Toen ook een van de monitors ingreep, moesten de Duitse torpedoboten zich onder dekking van de kustbatterijen, die het vuur openden en direct treffers plaatsten op de Engelse torpedojagers, terugtrekken. Een daarvan, Melpomene, bleef onbeweeglijk liggen en werd door Milne en Medea op sleeptouw genomen. Hierop rukte de Z-flottielje opnieuw op, maar de monitors dekten de terugtocht van de torpedojagers zo effectief, dat de Duitse schepen niet meer toekwamen aan een torpedoschot. Nadat ze in Zeebrugge munitie hadden aangevuld – V 67 had alleen al in de loop van de dag 124 schoten afgevuurd – patrouilleerden ze de volgende nacht voor de kust, maar merkten dat het gebied door de vijandelijke schepen was ontruimd.

De volgende dag (25 apr.) ontmoetten ook de voor het opnemen van de situatie en het opruimen van de Engelse versperringen uitgelopen boten van de torpedoflottielje "Flandern", kapitein-luitenant Assmann, geen tegenstand van betekenis, zodat ze, door enige stoomschepen ondersteund, onmiddellijk een groot gat maakten in de versperring en grote delen van de netten konden stukmaken. Slechts A 12, 1ste luitenant ter zee Weishaupt, raakte kort in gevecht met zes vissersboten van de mijnenvegerflottielje uit Duinkerken, waarin zich ook een vijandelijke onderzeeboot mengde. Hierbij werd de laatste vissersboot door treffers gedwongen te stoppen, streek de vlag en werd na het gevangennemen van de Engelse bemanning tot zinken gebracht. Ook de volgende dagen verliep het werk, afgezien van aanvallen door vliegtuigen, ongestoord. Er bleek wederom, dat een niet voortdurend bewaakte en verdedigde versperring de kosten niet waard was. De tegenstander had oorspronkelijk de bedoeling gehad, strijdkrachten bij de versperring achter te laten, maar deze en wellicht nog grotere plannen gericht tegen de Vlaamse kust, opgegeven, toen de eerste berichten over de opmars van de Hochseeflotte naar de Engelse kust binnenkwamen.

Op 24 april was het gevecht van de Z-flottielje voor de Vlaamse kust nog in volle gang, toen om 15.00 uur die dag de slagschepen, de kruisers volgend, de Duitse Bocht hadden verlaten, zodat nu de complete vloot, 22 slagschepen, 5 oudere linieschepen, 12 lichte kruisers en 48 torpedoboten koers had gezet in westelijke richting. De kruisers waren al om 14.00 uur de doorgang door het mijnenveld bij Norderney gepasseerd en waren vervolgens 40 zeemijl naar het noorden gevaren, om te voorkomen, dat ze vanaf de Nederlandse waddeneilanden zouden worden gezien en de plannen voortijdig zouden uitlekken. Juist toen ze bezig waren, om terug te draaien op de oude koers, ontstond er op het vlaggenschip Seydlitz, kapitein ter zee v. Egidy, een explosie ter hoogte van de torpedoruimte aan breedzij, die een ongeveer 90 vierkante meter groot gat in de scheepswand sloeg, dat op grond van gevonden metaalfragmenten slechts door een mijn kon zijn veroorzaakt. De andere slagkruisers maakten in overeenstemming met de geldende voorschriften onmiddellijk rechtsomkeert, terwijl Seydlitz, aan de andere kant van de mijnversperring, eerst naar het westen uitweek, om daarna de anderen te volgen. Nu echter werd, eerst op Seydlitz, daarna op Lützow, de aanwezigheid van vijandelijke onderzeeboten en torpedoboten gemeld, zodat het doorkruisen van dit gebied door het beschadigde en langzaam varende vlaggenschip niet raadzaam was. Schout-bij-nacht Boedicker, die als vervanger van de zieke vice-admiraal Hipper de leiding had, besloot daarom, met Seydlitz alleen, maar beveiligd door luchtschip L 7 en de 2de verkenningsgroep, die de mijnversperring al zonder schade was gepasseerd, ten noorden daarvan naar het westen te varen, daarna in het gebied voor de Eems te stoppen en op Lützow over te stappen. Toen tegen 17.00 uur uit het oosten de slagschepen de doorgang bij Norderney naderden, kwamen in het noorden de slagkruisers, aangevoerd door Derfflinger, kapitein ter zee Hartog, in zicht. Admiraal Scheer maakte daaruit op, dat de bevelhebber van de verkenningsgroepen de route in noordelijke richting te gevaarlijk achtte, en ging daarom met zijn eskaders op tegenkoers om ruimte te maken voor de slagkruisers en daarna weer de route langs de Oostfriese kust voort te zetten. Daarbij moest hij het gevaar op de koop toe nemen, dat de schepen bij dit ongewoon heldere weer nu vanaf Rottum en Schiermonnikoog konden worden waargenomen en de vijand waarschijnlijk te weten zou komen dat de vloot op zee was, waardoor de kans op een verrassingsaanval op Lowestoft en Great Yarmouth aanzienlijk werd verkleind. Er moest dan maar worden vertrouwd op de informatie, die de luchtschepen zouden verstrekken.

Schout-bij-nacht Boedicker, hiervan door de bevelhebber op de hoogte gebracht, verliet met zijn staf om 19.00 uur ongeveer 45 zeemijl noordelijk van Ameland op torpedoboot V 28 zijn vlaggenschip en ging om 20.30 uur aan boord van Lützow, die intussen met de overige slagkruisers een punt op ongeveer 35 zeemijl noordelijk van Terschelling had bereikt, terwijl Seydlitz, door twee torpedoboten begeleid, met 1400 t water in het schip en een verlies van 11 man naar de Eemsmonding en van daar uit naar de Jade terugkeerde. Om 22.00 uur ging Lützow met de 1ste verkenningsgroep, ongeveer 50 zeemijl noordelijk van Texel op zuidwestkoers, om met een vaart van 21 knopen met de lichte kruisers van de 2de verkenningsgroep, die in drie formaties van elk twee schepen en vier torpedoboten als voorhoede en flankdekking dienst deden, in de richting van De Hoofden op te rukken. Om 1 uur 's nachts volgden de slagschepen dezelfde koers, om, beschermd door de 4de verkenningsgroep en de flottieljes, met een vaart van 14 knopen aan te sturen op een punt dat 20 zeemijl ten westen van het lichtschip Haaks (westelijk van Den Helder) lag, en dat om 6 uur 's morgens moest worden bereikt.

Reeds de avond tevoren was uit het drukke radioverkeer van de Engelsen op te maken, dat de opmars voor hen niet verborgen was gebleven en waren de schepen waarschijnlijk opgemerkt door vijandelijke onderzeeboten, die de slagkruisers 's middags hadden gezien. Volgens een door de Friedrich der Grosse om 21.30 uur opgevangen Engels radiobericht waren alle patrouillevaartuigen naar de haven teruggeroepen. Sterker nog, de Engelsen hadden dezer dagen met een Duitse operatie rekening gehouden, en slechts de noodzaak om te bunkeren had de Grand Fleet gedwongen, de waakdienst tussen Horns-Riff en de Grote en Kleine Visserbank in de noordoostelijke Noordzee af te breken. Op 24 april, 17.00 uur echter ontving admiraal Jelllicoe van 'Whitehall' (de Britse admiraliteit) zeer belangrijke berichten. In Ierland was het tot een volksopstand gekomen. Sinn Fein had Dublin bezet, en het scheen, dat deze euvele daad door de Duitse Hochseeflotte, waarvan de verhoogde paraatheid bekend was, door machtsvertoon bij de Engelse oostkust ondersteund zou worden. Intussen werden door de Engelsen de nodige voorbereidingen getroffen. Commodore Tyrwhitt, die zich met zijn in Harwich gestationeerde eenheden voor vlootoefeningen op zee bevond, werd met spoed teruggeroepen om brandstof aan te vullen, en alle schepen van de Grand Fleet kregen opdracht, zich na het bunkeren gereed te houden, opdat ze binnen twee uur na een daartoe strekkend bevel zee konden kiezen. Admiraal Beatty, die reeds de avond tevoren met de slagkruiservloot Rosyth was binnengelopen, meldde om 18.00 uur dat zijn schepen paraat waren. De slagschepen in Scapa echter, die pas tussen 7 en 8 uur 's morgens de haven bereikt hadden, konden niet voor 21.00 uur in gereedheid zijn. Bovendien moest tijdens de opmars naar het zuiden, als gevolg van hevige tegenwind met verdere vertraging worden rekening gehouden.

Zo was de situatie toen admiraal Jelllicoe om 19.00 uur de eerste melding over het uitlopen van de Duitse vloot ontving. Dat Seydlitz op een mijn was gelopen, als gevolg waarvan de koers moest worden veranderd, had radioverkeer nodig gemaakt, wat de Britse admiraliteit, die de berichten kon ontcijferen, een groter inzicht in de Duitse plannen had gegeven, dan men aan Duitse zijde aannam. Op deze manier wist de Engelse opperbevelhebber, dat de Duitse slagkruisers om 4 uur 's middags 40 zeemijl ten westen van Helgoland hadden gestaan, en een noordwestelijke koers volgden, terwijl ze rugdekking schenen te krijgen van de hoofdmacht. Daarop beval hij alle strijdkrachten stoom te maken en wees admiraal Beatty aan, onverwijld op te rukken in zuidelijke richting langs de mijnvrije route westelijk van de Duitse mijnversperring van de Doggersbank Het 5de slageskader, de Queen Elizabeths, zou hem zo spoedig mogelijk volgen om het uitvallen van Australia en New Zealand, die op 22 april met elkaar in aanvaring waren gekomen, te compenseren. Beatty moest echter slechts dan tot een gevecht overgaan, wanneer het gros van de Britse vloot ter plekke was. Tegelijkertijd kregen de reservekrachten, het 3de slageskader (oudere linieschepen, de King Edwards) en het 3de kruisereskader bevel bij Farn Island (Noord-Engelse oostkust) positie te kiezen om het gebied van de Tyne te dekken. De eigenlijke slagvloot kon pas later uitlopen.

Intussen werd de Engelse kust in staat van verdediging gebracht. Alle voorposten en mijnenvegers werden teruggeroepen en vervangen door torpedobootflottieljes en onderzeeboten van de kustbewaking. Bij het aanbreken van de dag moesten vliegtuigen verkenningsvluchten uitvoeren en vijandelijke eenheden onmiddellijk aanvallen. Al kort na 21.00 uur kreeg men nadere informatie over de Duitse plannen. Jelllicoe kwam te weten dat Seydlitz, het Duitse vlaggenschip, 40 zeemijl ten noorden van Borkum op de door Princess Margaret en Angora al in november gelegde versperring van 850 mijnen was gelopen, en dat de overige slagkruisers vanaf een punt, 50 zeemijl van Borkum, in opmars waren. De sterkste Duitse formatie, het 3de slageskader, voer langs de Friese kust naar een punt op 35 zeemijl ten noorden van Terschelling en volgde van daar uit een koers in zuidwestelijke richting. Kennelijk waren ook de beide andere slageskaders met dit doel op zee. Het weer in het zuiden was intussen opgeklaard, en de bevelhebber kreeg van de admiraliteit opdracht, met de gehele vloot tegen de vijand op te treden. De veronderstelde Duitse demonstratie van machtsvertoon leek uit te lopen op een serieuze aanvalsoperatie, zodat de situatie als bijzonder ernstig werd beschouwd. Niet alleen de bases in Yarmouth, Lowestoft of die in de Theemsmonding leken bedreigd te worden, men hield het zelfs voor mogelijk dat sterke Duitse strijdkrachten onder bescherming van de Hochseeflotte naar Het Kanaal zouden doorstoten om de verbindingen met Engeland af te snijden. Ook de massa schepen, die zich elke nacht in de "Downs" (voor Dover) verzamelde, liep gevaar. De niets ontziende vijand zou met zijn geschut in een paar uur honderden koopvaardijschepen kunnen vernietigen. De gevolgen voor de Engelse aanvoer van voedingsmiddelen, grondstoffen en oorlogsmateriaal waren niet te overzien. Maar dat was nog niet alles. De Duitsers konden van plan zijn, de voor de bevoorrading van het leger belangrijke havens aan de Franse kust met blokkadeschepen te versperren, en ten slotte dook ook de oude vrees weer op, dat de uitval van de Duitse vloot wellicht bedoeld was om een landingspoging tussen Nieuwpoort en Duinkerken te dekken, om de zeeflank van de geallieerden in de rug aan te vallen. Deze gedachte was nog niet zo vreemd gelet op de grote hoeveelheid verkenningsvaartuigen bij de Vlaamse steunpunten, hoewel de Britse admiraliteit steeds had verklaard, dat een dergelijke poging bij voorbaat tot mislukken gedoemd was.

Het nadeel van de verafgelegen havens van de Grand Fleet deed zich bij elke Duitse opmars in de richting van Het Kanaal gevoelen. Het kernpunt bij alle verdedigingsplannen van de Britten was er altijd op gebaseerd, de torpedobootflottieljes en de onderzeeboten zo op te stellen, dat ze een of meer Duitse slagschepen konden aanvallen. Als het maar lukte, een van de schepen te torpederen en zo de opmars van de andere schepen te vertragen, dat moest het voor de Britse vloot eenvoudig zijn, ondanks de grote afstand toch op tijd ter plaatse te zijn of de Duitse schepen de weg terug te kunnen afsnijden. Nog in de loop van de avond van de 24ste april kreeg daarom de commandant van de in Yarmouth gestationeerde onderzeeboten het bevel, met zes daarvan en een torpedobootjager ongeveer halverwege de lijn Southwold – Hoek van Holland positie te kiezen. Tegelijkertijd kreeg commodore Tyrwhitt opdracht, met de lichte kruisers van de in Harwich gestationeerde eenheden een plaats 20 zeemijl noordnoordoostelijk van de onderzeeboten in te nemen om in het geval van een opmars van de Duitse slagschepen deze in de val van de onderzeeboten te lokken. Alle torpedoboten uit Harwich en uit The Nore moesten evenwel bij zonsopgang in de buurt van de onderzeeboten blijven en daar de verdere bevelen van de commodore afwachten.

Ondertussen was het werkelijke doel van de Duitse slagkruisers niet duidelijk geworden uit afgeluisterde radioberichten, maar de Britse admiraliteit kwam, zich de gebeurtenissen van 3 nov. 1914 herinnerend, toch dicht in de buurt van de waarheid, toen ze beval dat zes andere onderzeeboten de wacht zouden houden bij de plek, die wellicht uitgekozen zou worden voor een bombardement op Yarmouth. Om 1.40 uur 's nachts leidde de admiraliteit uit het Duitse radioverkeer af, dat de Duitse slagkruisers, die op een afstand van 50 zeemijlen door de slagschepen werden gevolgd, binnen ongeveer twee uur de oostgrens van de mijnenvelden zouden bereiken, die zich bij Southwold in oostelijke richting uitstrekten. Admiraal Bacon kreeg daarop bevel, onmiddellijk alle operaties voor de Vlaamse kust af te breken, de strijdgroep Dover ter verdediging van de Engelse kust samen te trekken en het vliegtuigmoederschip Vindex zo op te stellen, dat de watervliegtuigen bij het verschijnen van de vijand konden aanvallen. Voorts kreeg torpedojager Melampus, die ongeveer een uur eerder met 5 onderzeeboten Harwich had verlaten en zojuist de lijn Orfordness – Shipwash was gepasseerd, in plaats van de eerder bevolen positie nu opdracht indien nog mogelijk een plaats in te nemen halverwege de lijn Southwold – Hoek van Holland, 33 zeemijl verder naar het zuiden. Daar de Grand Fleet op dat moment pas de Schotse havens verliet, bleef het verweer tegen de tijdens de ochtendschemering verwachte aanval uitsluitend een zaak van de plaatselijke kustverdediging en van de in het zuiden aanwezige strijdmacht, hoewel men al relatief vroeg van alle details van hetgeen te gebeuren stond, op de hoogte was.

De gevechtshandelingen begonnen met het verschijnen van de Duitse luchtschepen boven de kust. Deze werd tussen 23.10 uur (24 april) en 1.20 uur (25 april) tussen Wash en Mersey achtereenvolgens overschreden door L 16, L 17, L 20, L 21, L 23, L 13 en L 11. Hierbij bleek dat de gehele kuststreek zuidelijk van The Wash rijkelijk was voorzien van afweergeschut en schijnwerpers, die de luchtschepen eerst vlakbij lieten komen, voordat ze die door openingen in het wolkendek heen in de lichtbundels vingen en met brisantgranaten en schrapnels hevig onder vuur namen. Alleen L 13 werd boven Theberton door enkele granaatscherven aan de voorste gondel getroffen. Spoedig bleek boven land een stevige zuidwestenwind te waaien, zodat de luchtschepen maar langzaam vooruit kwamen en de aanval op Londen moest worden afgelast. Maar ook het vinden van andere doelen werd door nevel, regen en bewolking zodanig bemoeilijkt, dat het grootste deel van de luchtschepen, waaronder ook L 21 met de commandeur, korvetkapitein Strasser aan boord, soms na urenlang zoeken, de kust moest verlaten, zonder ook maar een deel van hun munitie afgeworpen te hebben. Slechts L 13, kapitein-luitenant der reserve Proelss, en L 16, 1ste luitenant ter zee Peterson, vonden doelen die loonden. L 13 wierp om 1 uur 's nachts enkele bommen op Norwich en bestookte om 1.35 uur een batterij bij Winterton met 20 brisantbommen, terwijl L 16 om 2 uur 's nachts huizen in Cambridge platgooide en de rest van de munitie een half uur later boven Norwich uitwierp. Daarna werd L 16 op de terugweg om 2.50 uur tien minuten lang bij heldere hemel nogmaals hevig beschoten. De eerste luchtschepen landden reeds tussen 6 en 7 uur 's morgens in hun havens. Daarentegen passeerde L 17, kapitein-luitenant Ehrlich, na aanvankelijk weinig succes te hebben geboekt, om 2 uur 's nachts nogmaals de Engelse kust, zag om 2.25 uur door een opening in de wolken korte tijd lichten en spoorweginstallaties en liet daar nog een paar bommen op vallen. Ook L 21, kapitein-luitenant der reserve Dietrich maakte op bevel van de commandeur, toen de Duitse slagkruisers in zicht kwamen, nogmaals rechtsomkeert, om deze op hun vaart in noordelijke richting te beschermen. Later passeerde L 21 ook het gros en landde tegen 11 uur 's morgens in Nordholz.

Alles wat men later over het effect van deze aanvallen hoorde was, dat in Lincoln, waarschijnlijk door L 17, het Great Northern Station en de Globe Works zwaar beschadigd waren. De aanvallen van de luchtschepen hadden overigens op de manoeuvres van de Engelse marine niet de verwachte invloed, omdat de Britten het kennelijk belangrijker vonden de aanval van de 1ste en 2de Duitse verkenningsgroep te doorkruisen, dan het najagen van de luchtschepen met ongewis resultaat. Bovendien was om middernacht maar een deel van de torpedojagers gereed om uit te lopen. Twee divisies van de L-klasse, die voorheen voor de Belgische kust hadden geopereerd, waren reeds naar The Nore teruggekeerd en konden pas twee uur later na gebunkerd te hebben de haven weer verlaten. Daardoor volgden eerst slechts zeven c.q. negen torpedoboten de flottieljeleiders Lightfoot en Nimrod, toen deze achter het 5de lichte kruisereskader Harwich verlieten. Om 2.30 uur 's nachts stond commodore Tyrwhitt met deze strijdmacht bij het Sunk-lichtschip. Het bevel, om buiten het mijnenveld voor Lowestoft positie te kiezen, en zich ten noorden van de Britse onderzeebootroute tussen Southwold en Hoek van Holland op te stellen, scheen na de laatste berichten over de vijand achterhaald. De onderzeeboten zelf konden ook vanuit hun nieuwe positie de opmars van de tegenstander niet meer verhinderen, daar deze onverwacht dwars door het mijnenveld op de kust leek af te varen. In strijd met het bevel, besloot commodore Tyrwhitt daarom op eigen verantwoording westelijk van het mijnenveld te blijven en op een afstand van 10 zeemijl uit de kust naar het noorden te varen. Maar vermoedelijk waren zijn drie kruisers Conquest, Cleopatra en Penelope niet tegen de vijand opgewassen, en ook kon de commodore nauwelijks hopen, dat zijn torpedobootjagers nog op tijd een verrassingsaanval konden uitvoeren, daar om 3.00 uur 's nachts volle maan scheen en een uur later de dag al zou aanbreken. Misschien kon hij met zijn actie de vijand bij de kust weghouden en zo de beschieting, waarvan vooral de uitwerking op het moreel van de Britten werd gevreesd, tegenwerken of zelfs geheel verhinderen.

Tijdens deze Britse maatregelen voltrok zich de Duitse opmars volgens plan. Sinds middernacht toonden de beide zuidelijk van de Stralsund-mijnversperring opgestelde onderzeeboten UB 18, 1ste luitenant ter zee Otto Steinbrinck, en UB 29, 1ste luitenant ter zee Pustkuchen, in de verwachte richting van de opmars van de slagkruisers een rood c.q. groen licht, en om 4.15 uur 's morgens kreeg UB 18 in het noorden rookwolken in zicht en ging erop af, en spoedig daarna passeerden de Duitse aanvalskrachten de onderzeeër. Gelijktijdig kwam dichtbij, in het noorden bij het licht van de volle maan een Duits luchtschip (L 21) over dat zich in oostelijke richting bewoog, terwijl zuidoostelijk van de slagkruisers de groep Rostock en Elbing, fregatkapiteins Feldmann en Madlung, onder aanvoering van de 1ste commandant van de torpedostrijdmacht, commodore Michelsen, de opmars van de slagkruisers aan de zuidzijde beschermde. Om 5.00 uur in de ochtend kreeg deze groep ongeveer 6 streken aan bakboord schepen en torpedoboten in zicht. Eerst hield men deze voor de groep Frankfurt en Wiesbaden, maar begreep al snel, dat het vijandelijke schepen waren, die kennelijk naar Lowestoft voeren, wat onmiddellijk aan de bevelhebber van de slagkruisers werd gemeld. Rond deze tijd werd vanaf de slagkruisers het Corton-lichtschip waargenomen en, nadat om vaart te maken eerst een zwenking in zuidelijke richting was gemaakt, koers gezet naar het noorden om de beschieting van Lowestoft te beginnen. In de veronderstelling, dat deze manoeuvre was bedoeld, om de gemelde vijandelijke schepen aan te vallen, draaide de Rostock-groep nu naar het noorden om het schootsveld vrij te maken, maakte echter, toen het werkelijke doel van de manoeuvre duidelijk werd, opnieuw voeling met de vijand, terwijl de overige kruisergroepen en flottieljes de slagkruisers volgden, om deze tijdens de beschieting aan de oost- en noordoostkant te dekken. De poging van commodore Tyrwhitt was mislukt: zijn drie kruisers waren niet aantrekkelijk genoeg als lokmiddel, om de Duitse slagkruisers af te houden van hun hoofddoel. Schout-bij-nacht Boedicker had besloten, de gesignaleerde Britse schepen pas na de kustbeschieting en bij daglicht aan te vallen. Voeren de slagkruisers inderdaad tot aan Yarmouth, dan mocht de Engelse commandant hopen, dat ze op de daar liggende zes Engelse onderzeeboten zouden stuiten, die op schootsafstand van de stad wachtten. In werkelijkheid was er maar één daarvan, H 5, in de nabijheid van het lichtschip van Cross Sand, op deze plaats aanwezig, omdat de andere het bevel van de admiraliteit verkeerd hadden begrepen en dachten, dat ze de toegang tot de route ten noorden van het mijnenveld langs de zandbanken richting Yarmouth moesten bewaken. Hierdoor lagen H 10 en H 7 voor en in Halsborough Gat en V 1 bij de boei van Smith's Knoll. E 53 en E 57 waren nog uit Harwich onderweg.

Bij de Duitsers had de groep Frankfurt en Wiesbaden, kapitein ter zee Thilo v. Trotha en fregatkapitein Reiss, al om 5.00 uur 's morgens twee vissersschepen, waarvan er een de oorlogsvlag voerde, gepasseerd, maar niet beschoten, om het naderen van de kust niet voortijdig te verraden. Snel daarop stuitte de groep ten noordoosten van het Corton-lichtschip opnieuw op talrijke bewakingsvaartuigen, waarvan men er drie onder vuur nam en er een tot zinken bracht. Enkele uit het water stekende masten van wrakken wekten eerst de indruk van periscopen en werden ook met een paar granaten beschoten.

Intussen voeren de slagkruisers Lützow, kapitein ter zee Harder, Derfflinger, kapitein ter zee Hartog, Moltke, kapitein ter zee v. Karpf en Von der Tann, kapitein ter zee Zenker, aan een rij rode tonnen voorbij, die op ongeveer 5 hm parallel aan de afstand tussen de lichtschepen van Corton en Cross Sand lagen, en die kennelijk een mijnvrije weg aangaven. Daarop openden zij tussen 5.11 uur en 5.14 uur 's morgens (25 april) het vuur op de vooraf bepaalde militaire doelen in Lowestoft. Het was geen verrassing, dat dit direct door twee batterijen ten zuiden van de haveningang werd beantwoord en enkele 15 cm-granaten in de buurt van de schepen insloegen; alleen had men in de veronderstelling, dat de vijand zijn kustverdediging inmiddels had versterkt met een aanzienlijk krachtiger verweer gerekend. In werkelijkheid waren een paar salvo's van de zware artillerie voldoende, om de landbatterijen tot zwijgen te brengen. Voor de rest waren de omstandigheden waaronder de beschieting plaatsvond, net als in november 1914, wederom zeer ongunstig. Boven de kust hing een dichte nevel; bovendien dreven ook de schoorsteenrook en de kruitdampen van de schepen naar het land toe, zodat slechts enkele grotere gebouwen, zoals het Empire-hotel en de St. Johnskerk, zich duidelijk aftekenden. Ze boden echter voldoende aanknopingspunten, om met behulp daarvan de eigenlijke doelen, zoals de haveninstallaties, vooral de draaibrug, de schepen in de haven, de gasfabriek en het station onder vuur te nemen. De eerste, met lichte gevechtslading vanaf 70–90 hm afgevuurde salvo's van de zware artillerie lagen te kort, en pas bij een afstand van 100 tot 130 hm sloegen de granaten aan land in, zodat ook de halfzware artillerie mee kon doen en van een afstand van 130 hm raak schoot. In totaal werden door Lützow 18 30,5 cm- en 45 15 cm-, door Derfflinger 16 30,5 cm- en 32 15 cm-granaten op Lowestoft afgevuurd; het munitieverbruik op Moltke en Von der Tann was ongeveer hetzelfde, en al spoedig toonden oplaaiende branden en zware explosies bij de toegang tot de haven en bij de draaibrug het resultaat. Zoals van Engelse zijde werd toegegeven, werden ongeveer 200 gebouwen vernietigd, maar het verlies aan mensenlevens was gelukkig gering. Tussen 5.17 uur en 5.20 uur staakten de schepen het bombardement om zich nu te bepalen tot de beschieting van Yarmouth.

In deze stad echter waren de afzonderlijke doelen nog moeilijker te herkennen dan in Lowestoft, vooral omdat de slagkruisers wegens de zandbanken verder van de kust hadden moeten afdraaien. Slechts de aan admiraal Nelson gewijde zuil en de vuurtoren konden af en toe als aanknopingspunten voor de beschieting dienst doen. Toen Lützow om 5.24 uur het vuur opende, werden de doelen alleen door de middelzware artillerie bereikt. Een salvo met de zware artillerie, die weer met een lichte gevechtslading vuurde, lag nog op 100 hm te kort. Hierdoor moest Lützow, evenals Moltke, het vuur van de zware artillerie al na het eerste salvo afbreken, omdat de schoorsteenrook van de andere schepen zodanig hinderlijk was, dat direct schieten onmogelijk bleek, en indirect schieten te weinig succes garandeerde. Daarom spaarde ook Von der Tann zijn munitie, en schoot niet op doelen aan land, temeer daar de in het zuiden gemelde Engelse oorlogsschepen een interessanter doelwit vormden, en alleen Derfflinger schoot op afstanden tussen 110-130 hm met behulp van de navigatieapparatuur 14 30,5 cm- en 12 15 cm-granaten op de stad af en brak het vuren pas af, toen om 5.28 uur de zware munitie verschoten was. Het effect van het bombardement bleef onder deze omstandigheden gering. Vier minuten later gaf Lützow op een bewapende voorpost noordoostelijk van het lichtschip van Corton, die al met Frankfurt in gevecht was geweest, daarbij de reeds in de boten vluchtende bemanning ontziend, een 15 cm-salvo af, waarop het schip in vlammen opging. Tegelijkertijd werd door de slagkruisers een vijandelijk vliegtuig beschoten en kennelijk beschadigd. Weldra werden ze door een tweede en derde vliegtuig aangevallen, die echter, hoewel ze een de kans hadden om bommen af te werpen, direct na de eerste schoten afdraaiden en in een steile glijvlucht uit het zicht verdwenen. Nog tijdens de gevechten had schout-bij-nacht Boedicker de slagkruisers tussen het lichtschip van Cross Sand en de boei bij Middle Cross Sand op tegenkoers laten zwenken, om de beschieting van Yarmouth nu met een zwaardere lading te herhalen en daarna op te rukken naar de in het zuiden gemelde strijdkrachten. Deze manoeuvre moet de uit Yarmouth in de buurt van Smith's Knoll wachtende Engelse onderzeeboten ernstig verrast hebben. Toen H 5 de opmars van de slagkruisers van Lowestoft naar het noorden zag, dook hij onmiddellijk om aan te vallen, maar nog voordat hij op schootsafstand was gekomen, voeren de slagkruisers weer naar het zuiden. Ook H 10 en V 1 hadden ondanks de grote afstand gepoogd, dichterbij te komen, maar werden door de eigen vliegtuigen gehinderd, die niets van de positie van de onderzeeboten afwisten, en ze daardoor voor vijandelijke hielden en met bommen bestookten.

Om 5.42 uur 's morgens opende Lützow opnieuw het vuur in de richting van de vuurtoren van Great Yarmouth, dat nu naar het scheen wederom door een batterij werd beantwoord, en gaf acht schoten met de zware artillerie, nu op een afstand die tussen 140 en 128 hm varieerde. Zwarte rookwolken en oplaaiende branden bevestigden de inslagen. Voordat echter de overige schepen konden meedoen, trokken in het zuiden belangrijker doelen de aandacht van de slagkruisers.

Daar was rond 5.30 uur de groep onder Rostock en Elbing door de strijdmacht van commodore Tyrwhitt, die nu uit drie kruisers van de Arethusa-klasse met 18 torpedoboten bestond, onder vuur genomen. De schoten lagen echter doorgaans te kort en konden bij de grote afstand van de Duitse kruisers, met name door de 10,5 cm kanons van de Rostock, niet beantwoord worden. Daarom werd geprobeerd de vijand op noordnoordoostkoers dichterbij te laten komen, om het zo voor de slagkruisers mogelijk te maken om ze van de kust af te snijden. De vijand volgde ook, maar draaide af, toen de kruisers van de 2de verkenningsgroep, commodore v. Reuter, aansloten en onder aanvoering van Regensburg, een zuidelijke koers varend, een lopend gevecht begonnen. Alle pogingen om op schootsafstand te komen, werden door de grotere snelheid van de tegenstander teniet gedaan, zodat Rostock na een, Frankfurt na drie salvo's al het vuur moesten afbreken, daar de grootste reikwijdte van hun geschut slechts 131 hm bedroeg, terwijl Pillau, fregatkapitein Mommsen en Wiesbaden, fregatkapitein Reiss, op 169 hm c.q. 144 hm helemaal niet aan schieten toekwamen. Ook Regensburg, fregatkapitein Heuberer, kon op 160-180 hm slechts een torpedojager met onduidelijk gevolg met 15 schoten onder vuur nemen, en alleen Elbing hield van 5.48 uur tot 6.01 uur op 116 tot 124 hm twee torpedoboten iets langer onder vuur, waarbij 39 brisantgranaten werden verschoten, maar of dit succes had gehad was ook hier niet duidelijk. Hoewel het zicht uitstekend was hadden de resultaten aanzienlijk beter kunnen zijn als de lichte kruisers al waren uitgerust met het geplande grotere kaliber, betere munitie en richtingzoekers die een groot aantal, voortdurend van positie wisselende tegenstanders in het vizier konden houden. Maar ook de vijand, die van grote afstand vuurde, was er niet in geslaagd de Duitse schepen te treffen; de inslagen lagen doorgaans te kort.

Ondertussen had schout-bij-nacht Boedicker om 5.43 uur de beschieting van de kust beëindigd en was naar bakboord uitgeweken, om de vijandelijke strijdkrachten, die nu binnen schootsafstand van de slagkruisers waren gekomen, op zijn beurt aan te vallen. Om 5.47 uur werd het signaal "vuur verdelen vanaf links" gehesen, en van 5.49 uur tot 5.56 uur vuurden Lützow en Derfflinger met de zware artillerie op 126 tot 140 hm afstand op de vijandelijke kruisers, terwijl de middelzware artillerie vanaf 90 tot 120 hm de torpedojagers onder vuur nam en al spoedig dekkende salvo's wist te plaatsen. Daarentegen kon Moltke deze doelen bij een afstand van 150 hm met het 15 cm-geschut niet meer bereiken en beëindigde ook het vuur van de zware artillerie tegen een van de vijandelijke kruisers al na het eerste salvo, om indachtig de ervaringen van de 3de november 1914 het vuur van Lützow en Derfflinger niet te hinderen. Deze schoten in de loop van het gevecht 33 c.q. 27 30,5 cm-granaten op de kruisers af en namen om 5.49 uur en 5.52 uur op twee daarvan een aan een hevige explosie en een hoge vuurzuil te herkennen treffer waar, waarop de vijandelijke torpedobootjagers een aanval schenen in te zetten om de kruisers te dekken en nu door slagkruiser Von der Tann vanaf 120 tot 146 hm met de zware artillerie met meerdere, spoedig dekkende salvo's, onder vuur werden genomen. Op een van de torpedojagers viel de mast om en even later leek het schip, gehuld in een hoge zwarte explosiewolk, te zinken. Terwijl de andere slagkruisers, nadat het vlaggenschip al om 5.55 uur op een oostelijke koers was gegaan, snel daarop het vuur beëindigden, vuurde het laatste schip in de linie, Von der Tann, nog kort voor de zwenking op 140 – 158 hm 17 schoten op de noordelijkste van de vijandelijke kruisers af en meende, ook deze zwaar getroffen te hebben.

Volgens Engelse berichten zijn slechts op een kruiser en een torpedoboot treffers geboekt. Om 5.50 uur sloeg op Conquest, het vlaggenschip van commodore Tyrwhitt, dat na het verleggen van de koers in zuidelijke richting het meest noordelijk stond, een salvo van zware granaten in, reet de opbouw van het achterdek, en doodde en verwondde 40 man, onder wie ook officieren. Toch kon de kruiser, met 20 knopen doorvarend, zich achter de rooksluiers van de torpedojagers aan het vijandelijk vuur ontrekken. Buiten het vlaggenschip was tijdens het 7 minuten durende gevecht alleen nog torpedoboot Laertes getroffen, waarbij vijf man gewond raakten en een ketel werd stukgeschoten. Ook werden de Duitse slagkruisers nogmaals door twee vliegtuigen aangevallen, die zich echter na een korte beschieting weer snel verwijderden. Het totale munitieverbruik van de slagkruisers gedurende de kustbeschieting en het latere gevecht was als volgt:

kaliber 30,5 en 28* cm:
Lützow 61, Derfflinger 62, Moltke 24*, Von der Tann 51*;
kaliber 15 cm:
Lützow 168, Derfflinger 89, Moltke 35, Von der Tann 18;
kaliber 8,8 cm:
Lützow 9, Derfflinger 9, Moltke 16, Von der Tann 3.

Ondanks een buitengewoon sterke opeenhoping van Duitse en Engelse onderzeeboten in dit gebied, was het effect van hun aanwezigheid nauwelijks te merken geweest. Van de vier Duitse onderzeeërs, die zuidoostelijk van Southwold positie hadden moeten kiezen, was slechts UB 12, 1ste luitenant ter zee Kiel, die abusievelijk niet op Southwold, maar op Lowestoft had aangestuurd, midden in de beschieting terechtgekomen en door de inslag van granaten in gevaar geraakt. Het verdere verloop van het gevecht in zuidelijke richting kon UB 12 niet direct volgen, omdat de boot meermaals door vliegtuigen met bommen werd bestookt en onder water werd gedrukt. Daarentegen hadden UB 6, 1ste luitenant ter zee Voigt, en UB 10, 1ste luitenant ter zee Saltzwedel, weliswaar volgens plan nog voor het aanbreken van de dag de juiste plaats bereikt, maar slechts UB 10 had om 4.33 uur 's nachts de opmars van de vijandelijke strijdkrachten naar het noorden en tegen 6 uur 's morgens het gevecht tussen deze en de 2de verkenningsgroep gezien. De boot dook om 6.22 uur op en maakte met UB 12, die uit het noorden kwam, contact, maar moest 10 minuten later voor vijandelijke vliegtuigen, die bommen gooiden, weer onderduiken, zodat hem ondanks zijn goede positie het afdraaien van commodore Tyrwhitt naar het oosten achter de Duitse strijdmacht, volledig ontging. Over de situatie van UB 13, 1ste luitenant ter zee Metz, die van deze missie niet terugkeerde, werd niets bekend; wellicht is de boot al tijdens de opmars op een mijn gelopen of in de netten terecht gekomen die de Engelsen kort geleden voor de basis Zeebrugge hadden aangebracht. Bij de andere drie onderzeeërs was in ieder geval gebleken, hoe moeilijk het voor ze was, zich aan een snel wijzigend strijdtoneel aan te passen als ze het overzicht misten en de steun van een flottieljeleider moesten ontberen.

Om 5.55 uur was schout-bij-nacht Boedicker, daar de jacht op de lichte vijandelijke strijdkrachten door de grotere snelheid daarvan uitzichtloos leek, en er meldingen waren over onderzeeboten en torpedo's, met het voorste schip naar het oosten afgedraaid om zuidelijk van de Stralsund-versperring, die door boeien was gemarkeerd en kennelijk nog niet door de Engelsen was opgeruimd, de aansluiting met het gros tot stand te brengen. Dit stond, toen schout-bij-nacht Boedicker kort na zessen 's morgens de voltooiing van de kustbeschieting meldde, op ongeveer 70 zeemijl van de slagkruisers verwijderd. Ter versterking van de verkenningsgroepen had admiraal Scheer bevolen, dat bij zonsopgang een luchtschip boven de Doggersbank, een tweede bij het gros en een derde boven De Hoofden positie moest kiezen; maar het opstijgen van het tweede luchtschip, L 7, kapitein-luitenant Hempel, die na het bewaken van Seydlitz tegen 1.00 uur 's nachts in Haage was geland en daardoor eerst om 3.30 uur 's nachts weer operationeel was, was zo vertraagd, dat het schip zich bij het aanbreken van de dag pas boven de Eems bevond. L 6, kapitein-luitenant Kraushaar, die bevel gekregen had, een positie in te nemen op de linie tussen de Duitse versperringen op de Doggersbank en oostelijk van de Humber, was sterker dan berekend naar het noorden afgedreven en vloog pas om 4.20 uur 's nachts van de Doggersbank naar het zuiden, om het beginpunt van genoemde linie, 100 zeemijl noordwestelijk van Terschelling, te kunnen bereiken. Intussen verkende L 9, kapitein Stelling, het gebied tussen het gros en de slagkruisers en werd om 5.38 uur 's nachts, ongeveer 40 zeemijl ten oosten van Lowestoft, op 800 m hoogte door twee vijandelijke watervliegtuigen verrast. Door de snelheid, waarmee deze aanstormden, was het niet meer mogelijk, op tijd naar grotere hoogte te stijgen, zodat het schip in een zigzagkoers met de wind mee naar het noordoosten uitweek. Daarop draaide het eerste vliegtuig af, het tweede echter kwam, nadat het eerst door machinegeweervuur van het bovenste platform van het luchtschip op afstand was gehouden, bij een tweede aanval vlak boven L 9, maar gelukkig misten de vijf door het vliegtuig afgeworpen bommen hun doel.

In de loop van het gevecht was dit vliegtuig tot de voorposten van het Duitse gros doorgedrongen, zodat te verwachten viel, dat de opmars van het gros niet lang voor de vijand verborgen zou blijven. Maar veel gevaar scheen er voor de van de kust terugkerende Duitse kruisers en torpedoboten niet te zijn, want ook de door deze gesignaleerde vijandelijke strijdkrachten hadden zich – zo leek het althans – teruggetrokken. Nadat zich daarop de afstand tussen de schepen van Boedecker en het gros tot 50 zeemijl had verkleind, liet admiraal Scheer om 6.20 uur 's morgens eskader voor eskader omkeren en met 15 knopen vaart op het voorgenomen ontmoetingspunt bij de Terschellingbank aansturen, terwijl de vierde verkenningsgroep onder leiding van de 2de commandant van de torpedostrijdmacht, commodore Heinrich, in noordwestelijke richting op verkenning ging. Ook L 9 werd door lichtseinen aangewezen, zich in die richting te begeven, maar kon dit bevel echter niet meer opvolgen, daar alle luchtschepen intussen door de aantrekkende zuidoostenwind door korvetkapitein Strasser teruggeroepen moesten worden. Alleen L 6, kapitein-luitenant Kraushaar, voerde tot minstens 8.20 uur 's morgens beveiligingstaken voor de vloot uit in zoverre, dat het luchtschip de terugweg over Horns-Riff nam en eerst 11.00 uur 's morgens bij Sylt de kust bereikte, om dan naar Fuhlsbüttel terug te keren.

Had L 9 de verkenning van De Hoofden voortgezet, dan zou het de vlootleiding niet zijn ontgaan, dat de bij Lowestoft door de slagkruisers verjaagde vijandelijke strijdkrachten toch niet zo snel als werd aangenomen, het bevel om voeling te houden met de Duitsers hadden gelaten voor wat het was. Commodore Tyrwhitt had slechts de meest noodzakelijke reparaties aan zijn vlaggenschip afgewacht, om al om 6.40 uur 's morgens de inrukkende strijdkrachten van schout-bij-nacht Boedecker in een brede verkenningsformatie met 22 knopen vaart door het K-kanaal te achtervolgen, dat midden door het mijnenveld ten oosten van Southwold een mijnvrije weg in de richting van Terschelling bood. Tegelijk liep de door Laforey aangevoerde torpedojagerdivisie in het zuiden om het mijnenveld heen, om zich aan de andere kant daarvan om 9.30 uur 's morgens met de schepen van commodore Tyrwhitt te verenigen. Intussen probeerden van uit het oosten de vooruitgesnelde onderzeeboten E 55, E 29, E 22 en D 4, aangevoerd door torpedobootjager Melampus, de wegtrekkende tegenstander voor de oostelijke uitgang van het K-kanaal de weg te versperren. Ze waren net bezig, hun plaats in te nemen, toen van Lürcher het bevel kwam, de posities van de onderzeeboten te verplaatsen in noordelijke richting naar de breedtegraad die over lichtschip Haaks liep. Daar van andere zijde de melding binnenkwam, dat de Duitse schepen slechts nog 25 zeemijl verder naar het westen stonden en met hoge snelheid in aantocht waren, bleef kapitein Hewett, de aanvoerder van de onderzeeboten op Melampus, bij zijn aanvankelijke voornemen. Maar nog voordat de onderzeeboten op hun posities waren, kwamen om 7.00 uur 's morgens de Duitse strijdkrachten in zicht, zodat ook de meest noordelijke boot, E 55, nog maar 4 zeemijl kon naderen, voordat de Duitse schepen in het noordoosten verdwenen. Ook Tyrwhitt zag om 9.45 uur nog slechts de rookwolken van de Duitse kruisers. Hij zou de jacht hebben voorgezet, als de admiraliteit hem niet 10 minuten later zou hebben teruggeroepen. Zijn opmars was niet zonder gevaar geweest, want het was duidelijk, dat de vijand zijn terugtocht ook door onderzeeboten dekte. Reeds om 7.40 uur was door Conquest, om 8.15 uur door Cleopatra een vijandelijke onderzeeboot gezien. Nauwelijks hadden de Engelse kruisers echter rechtsomkeert gemaakt, toen ondanks alle voorzichtigheid Penelope door een onderzeeër werd getroffen. De torpedo was kennelijk van zeer grote afstand afgevuurd en al aan het einde van zijn baan, want hij liep bijna aan de oppervlakte waardoor de explosie maar een relatief gering effect had. Toch scheurde hij het roer van de kruiser af en beschadigde de stuurinrichting, maar Penelope kon met 20 knopen vaart de andere schepen volgen, en om 16.00 uur was de commodore met al zijn schepen terug in Harwich.

Het schot op Penelope was door UB 29, 1ste luitenant ter zee Pustkuchen, afgevuurd. Deze had, evenals UB 18, 1ste luitenant ter zee Steinbrinck, overeenkomstig het bevel, weldra na 5 uur 's morgens zijn positie 20 zeemijl oostelijk van Yarmouth verlaten, om in oostzuidoostelijke richting van de kust af te varen. Hierdoor kwamen beide onderzeeboten op dezelfde route van de wegtrekkende Duitse en de oprukkende Engelse strijdkrachten en daarmee ook in de buurt van de plek waar de door torpedojager Melampus opgestelde Britse onderzeeërs lagen. Om 7.00 uur 's morgens was UB 29, nadat deze voor vliegtuigen had moeten onderduiken, door de flankdekking van de terugkerende Duitse slagkruisers gepasseerd en dook een uur later onder voor een vijandelijke onderzeeboot, terwijl in het westen drie Engelse kruisers van de Arethusa-klasse werden gesignaleerd, die met hoge vaart en breed uitwaaierend de Duitse schepen volgden. Voor een aanval was het reeds te laat. De onderzeeboot voer daarom achter de kruisers aan, doch moest om 9.25 uur 's morgens voor acht torpedojagers van de L-klasse, die eveneens met hoge snelheid naar het noordoosten voeren, opnieuw duiken, maar deze keerden al snel terug, gevolgd door de kruisers. De middelste bleef te ver weg van UB 29, maar een aanval op de noordelijkste had succes. 85 seconden na het schot volgde om 10.25 uur de explosie van de torpedo, maar op de boot afgevuurde granaten verhinderden de onderzeeër de uitwerking ervan te controleren, en spoedig daarna kwamen de vijandelijke strijdkrachten in het zuidwesten in zicht.

Om 6.45 uur 's morgens was ook de UB 18 van Steinbrinck door twee lichte Duitse kruisers met torpedoboten gepasseerd, en kort daarop kwam torpedojager Melampus in zicht en noordelijk daarvan twee vijandelijke onderzeeërs van de E-klasse met opgerichte radioantennes. UB 18 dook direct, raakte ook bijna tien maal tot op 300 m van de onderzeeërs, moest zelfs een keer onder een daarvan door duiken, maar kwam niet tot een schot, omdat ze steeds op het laatste moment afdraaiden. Om 9 uur verschenen in het zuiden negen torpedobootjagers van de L-klasse met hoge vaart op noordoostelijke koers, direct daarop uit het noorden wederom Melampus, waarbij zich drie, later twee onderzeeboten van de E-klasse voegden. De torpedoboot liep dan naar het zuiden en verdween uit zicht, maar verscheen tegen 11 uur voor korte tijd opnieuw, toen de eerder gesignaleerde vaartuigen op zuidwestkoers aan de onderzeeboot voorbijvoeren. Tegen de middag werd UB 18 bij verdere aanvalspogingen door E 26 waargenomen, toen, zoals duidelijk te zien was, de officier van de wacht op de brug van de Engelse onderzeeër plotseling het stuurrad greep en probeerde UB 18 te rammen. Deze dook onmiddellijk naar een grotere diepte, maar werd toch nog aan de staalkabel die moest voorkomen, dat de boot in een torpedonet kwam vast te zitten, geraakt. Desondanks bleven de vijandelijke onderzeeërs boven water, en spoedig daarop werd de volharding van de Duitse onderzeebootcommandant beloond. Om 12.40 uur diende zich op 350 m afstand een uitgelezen kans aan de tweede Engelse onderzeeër, E 22, onder vuur te nemen, en onmiddellijk na de explosie van de torpedo was deze boot verdwenen. Slechts twee man doken op, zodat mocht worden aangenomen, dat de ongeveer 3 zeemijl verwijderde E 26 dichterbij zou komen om ze te redden en misschien ook nog getorpedeerd kon worden. Maar E 26 was onmiddellijk na de explosie ondergedoken, en ondanks het gevaar, door deze boot te worden aangevallen, zette de Duitse commandant het leven van zijn bemanning en van zijn boot op het spel, om de beide Engelsen te redden. Dit gelukte. E 26 werd niet meer gezien en nadat UB 18 nog een Engelse viskotter in de grond had geboord, en de bemanning daarvan bij het lichtschip Noord-Hinder had afgeleverd, aanvaardde de boot de reis terug.

Op het moment, dat E 22 getorpedeerd werd, trachtte ook UB 29 E 55 aan te vallen, maar ondanks alle pogingen daartoe, die twee uur lang tot 4 uur 's middags werden voortgezet, ook toen er nog twee andere Engelse onderzeeërs verschenen, was er bij een spiegelgladde zee geen mogelijkheid meer voor een doeltreffend schot.

De confrontaties tussen onderzeeboten bleven de enige gevechtshandelingen, die op de beschieting van de kust en het korte gevecht tussen de kruisers nog volgden. Toen de 1ste en 2de verkenningsgroep met de 6de en 9de flottieljes naar het oosten waren afgedraaid en dwars door De Hoofden op Terschelling afkoersten, werd door de lichte kruisers en de torpedoboten, die de terugtocht dekten, om 6.10 uur en 7.15 uur 's morgens slechts een enkele vijandelijke onderzeeboot gesignaleerd, die de Duitse strijdkrachten van verre met hoge snelheid probeerde te achtervolgen. Andere vijandelijke strijdkrachten werden niet meer gezien. Maar om 7 uur 's morgens, deed G 41, de boot die de 6de flottielje aanvoerde, korvetkapitein Max Schultz, nog een goede vangst. Toen deze ongeveer 40 zeemijl ten oosten van Yarmouth een klein stoomschip, dat de Engelse handelsvlag voerde, inspecteerde, vond hij op het achterschip onder een zeil, dat als camouflage diende, een kanon verstopt, dat na ondervraging van de 13 koppen grote bemanning voor de bestrijding van onderzeeboten bleek te worden gebruikt. Het ging om het stoomschip King Stephen, dat bij de ondergang van luchtschip L 19 een kwalijke rol had gespeeld. (Dit luchtschip was in febr. 1916 verongelukt en door King Stephen op de Noordzee aangetroffen, maar de Engelsen staken geen vinger uit en lieten de drenkelingen aan hun lot over.) Het stoomschip werd tot zinken gebracht, en de opvarenden, die ontkenden, destijds aan boord te zijn geweest, gevangen genomen, om in Duitsland aan een diepgaand verhoor door een militair gerechtshof te worden onderworpen.

In hetzelfde gebied bracht V 44, kapitein-luitenant v. Holleufer, een Zweedse bark, die hout voor Engeland aan boord had, tot zinken. Daarnaast werden gedurende de operatie het Noorse stoomschip Nordam en het Zweedse stoomschip James Dickson aangehouden en op smokkelwaar onderzocht, en de Nederlandse vissersschepen Griberg en Albatros wegens verdenking van spionage als oorlogsbuit bezet en naar Cuxhaven opgebracht.

Om 7.30 uur 's morgens kwam bij de vlootleiding een melding van de commandant van het "Marinekorps" binnen, die voor de besluitvorming van admiraal Scheer van beslissende invloed was. Zoals namelijk uit de in Brugge ontcijferde vijandelijke radioberichten naar voren kwam, hadden alle Engelse schepen inmiddels opdracht gekregen, van de Belgische kust terug te keren. De torpedojagers moesten kolen bunkeren en zich daarna ten westen van Duinkerken verzamelen. Daar zich ook de strijdkrachten van commodore Tyrwhitt niet meer hadden vertoond, meende de Duitse vlootleiding daaruit met beslistheid, maar, zoals later zou blijken, ietwat voorbarig, te kunnen concluderen, dat de opponent te verrast was om nu nog contact te houden, en dat een tegenaanval in het beste geval pas de volgende morgen zou kunnen plaatshebben. Een langer verblijf van de vloot bij de Terschellingbank, afgezien van een aanvankelijk voorgenomen aanval van de torpedobootflottieljes in de richting van de vermoedelijke vijandelijke opmars, leek daarom zinloos; het leek beter, onmiddellijk de haven op te zoeken, om de kruisers en de torpedoboten zo snel mogelijk van nieuwe brandstof te voorzien. Derhalve beval admiraal Scheer al om 10.20 uur voor alle strijdkrachten de afmars. Medebepalend voor dit besluit was in hoge mate ook het voortijdig uitvallen van de luchtverkenning, en het lijdt achteraf gezien geen twijfel, dat een eventueel vervolg van de acties toch had moeten worden afgebroken als men dit hulpmiddel had moeten ontberen.

Zou L 6, kapitein-luitenant Kraushaar, niet door de weersomstandigheden en het bevel van de marineluchtvaartdienst verhinderd zijn geweest, om zich, zoals bevolen, op te stellen op de linie ten zuidwesten van de Doggersbank-versperring, dan zou het aan dit luchtschip en daarmee ook aan de vlootleiding niet zijn ontgaan, dat de complete Britse slagkruiservloot kort na 11 uur 's morgens, deze linie was gepasseerd, om met hoge snelheid op het gebied af te koersen, waar de Duitse vloot volgens het oorspronkelijke strijdplan inderdaad de vijandelijke tegenstoot had verwacht en slag had willen leveren. Wellicht zou dan door L 6 aan de bevelhebber van de vloot gemeld zijn, dat de vijandelijke slagkruisers niet door andere eenheden gevolgd werden, zodat zich de gelegenheid voordeed, zoals in het strijdplan was voorzien, een deel van de vijandelijke strijdmacht af te snijden, voordat het gros ter ondersteuning ter plekke kon zijn. Het ontbrak helaas de Duitse bevelhebber toen aan een beter decoderingssysteem om uit het vijandelijke radioverkeer conclusies te trekken over de Engelse manoeuvres, en hoewel de Engelsen daarover wel beschikten, hebben ze daar nooit op beslissende wijze gebruik van kunnen maken.

Bijna was het trouwens toch nog tot een treffen tussen de Duitse en de Engelse slagkruisers gekomen, want toen het Duitse gros om 9 uur 's morgens voor Vlieland, Terschelling en Ameland meermaals door vijandelijke onderzeeboten werd aangevallen, zwenkte schout-bij-nacht Boedecker, om deze te ontwijken, met een grote boog naar het noorden, ongeveer dezelfde route volgend als bij de opmars. Zonder dat hij het wist, bracht deze manoeuvre hem in de buurt van de Engelse slagkruisers, die uit het noorden naderden. Toen de Duitse kruisers om 12.45 uur 's middags, ongeveer 40 zeemijl noordelijk van Terschelling naar het oosten uitweken, was admiraal Beatty met zijn schepen maar 45 zeemijl ver. Het Duitse gros stond 45 zeemijl ten zuiden van de slagkruisers van Boedecker voor de Eemsmonding. Daarentegen bevond zich op dat ogenblik zelfs het 5de Britse slageskader nog 100 zeemijl westnoordwestelijk van de Britse slagkruisers, en de slagvloot van admiraal Jellicoe pas 100 zeemijl ten oosten van de Firth of Forth. Onder deze omstandigheden door Beatty de strijd bij Terschelling of voor de Eems te laten aanbinden, was bij de informatie, waarover de Britse admiraliteit door de voortdurende decodering van het Duitse radioverkeer beschikte, onverantwoord. Ze riep daarom de slagkruisers om 13.30 uur terug. Weldra zwenkten ook de overige strijdkrachten van de Grand Fleet naar het noorden, om naar hun bases terug te keren.

Deze beslissing zal de Britse admiraliteit zwaar gevallen zijn, want zoals bij elke beschieting van de Engelse kust door de Duitse marine, moest ze wederom de verwijten van het publiek op de koop toe nemen, dat het haar noch gelukt was, de aanval op de kust te verhinderen, noch de agressor ten minste op de terugweg tot een gevecht uit te dagen. Aan Duitse zijde was men teleurgesteld, dat het niet was gekomen tot de gehoopte confrontatie met sterke vijandelijke strijdkrachten; inderdaad had men gehoopt dit te bereiken, in plaats van de operatie voortijdig af te breken. Maar men dacht door de uitval de vijand een lesje geleerd te hebben, zodat hij in de toekomst een aanval op de Vlaamse kust met sterke strijdkrachten aan de noordkant moest dekken, en hoopte die, bij de eerstvolgende gelegenheid te kunnen aanpakken. Zonder twijfel had de uitval de druk op de Vlaamse kust verminderd, want het was niet aannemelijk, dat het aanleggen van net- en mijnversperringen, die zonder verdediging toch weer snel werden opgeruimd, voor de tegenstander een doel op zichzelf zou zijn. Het was veel waarschijnlijker, dat deze maartregel slechts de inleiding voor een operatie van grotere opvang tegen de Vlaamse kust betekende, die echter door de aanval van de Duitse vloot op de Engelse zuidoostkust mislukt was.

In elk geval had het aanbrengen van netten en mijnen het resultaat gehad, dat van de Duitse onderzeeboten, die op 24 april Zeebrugge verlieten, alleen UC 6, 1ste luitenant ter zee Graaf v. Schmettow, zoals gepland, nog voor de beschieting van Lowestoft mijnen kon leggen. UC 7, 1ste luitenant ter zee Haag, had tenminste nog de opmars na het invallen van de duisternis voortgezet, maar de overige boten waren gedwongen de opmars naar de 25ste te verschuiven. Ook die dag moest UC 5, 1ste luitenant ter zee Mohrbutter, door vier Engelse torpedoboten gedwongen om te duiken en later door Franse vliegtuigen verrast, de poging om met springstof een opening in de netversperring te maken, opgeven en naar Zeebrugge terugkeren; daarentegen gelukte het UC 1, 1ste luitenant ter zee Ramien, ondanks sterke tegenstand van vliegtuigen, de netten ten slotte met uiterste kracht boven water te passeren en om 8.20 uur 's avonds bij het lichtschip van Kentish Knock de opgedragen versperring van 12 mijnen te leggen. Op de terugweg voer hij langs de netversperring, tot hij een intussen door de Duitsers gemaakte opening had gevonden en ging daar doorheen. Tegen 11 uur 's avonds was ook UC 7 (Haag) bij Shipwash juist met het leggen van mijnen begonnen, toen hij aan de grond liep. Alle pogingen om vrij te komen, bleven aanvankelijk zonder resultaat. De boot liep gevaar, op 26 april bij het aanbreken van de dag door twee torpedojagers ontdekt te worden, maar kon zich op het laatste ogenblik bevrijden, ging op de bodem liggen en kon ten slotte ondanks een buitengewoon moeilijke navigatie in de nacht van de 27ste tussen Shipwash en Whiting Sand de opgedragen mijnversperring aanbrengen. Ongeveer tezelfdertijd kwam UC 5 (Mohrbutter) echter, nadat hij op 26 april 's morgens de netversperring had weten te passeren, bij Shipwash vast te zitten, dreef bij vallend tij met de stroom mee, kwam steeds hoger op de zandgrond voor de kust te zitten en lag om 3 uur 's nachts (27 april) bijna op het droge. Om 6 uur 's morgens kwam de boot vrij maar raakte, opgejaagd door talrijke vaartuigen van de kustbewaking, vier uur later weer aan de grond en moest, toen vijandelijke torpedoboten in de buurt kwamen, worden opgeblazen. De bemanning werd door de torpedojager Firedrake gered en naar Harwich gebracht. Daarentegen kon UB 10 (Nitzsche), nadat deze op 28 april opnieuw was uitgelopen, in de nacht van de 30ste een mijnversperring bij Southwold leggen. Of de onder vele offers en gevaren aangebrachte mijnversperringen van de UC-boten nog vijandelijke kruisers, torpedoboten of onderzeeërs hebben beschadigd, werd niet bekend.

Ook de boten UB 27, kapitein-luitenant Dieckmann, en UB 21, 1ste luitenant ter zee Hashagen, die tijdens de operatie van de vloot waakdiensten bij de Firth of Forth zouden verrichten om daar oorlogsschepen aan te vallen, hadden geen succes. Ze hadden tengevolge van machinestoringen pas op 23 en 24 april kunnen vertrekken, zodat UB 27 op 25 april 's middags pas 180 zeemijl ten oosten van de Firth of Forth, maar nog slechts 90 zeemijl ten oosten van de Grand Fleet stond. Zonder van dit laatste op de hoogte te zijn, hoopte de commandant toch voor het geval, dat intussen de aanval op Lowestoft had plaatsgevonden, bij zijn aankomst voor de Firth of Forth toch minstens terugkerende vijandelijke strijdkrachten te kunnen aanvallen. Deze hoop bleek echter ijdel. De onderzeeboot vertrok daarom in zuidelijke richting, en leverde daarna langs de Engelse kust met goed gevolg een bijdrage aan de handelsoorlog. Maar UB 21 (Hashagen), die eerst op de 27ste zijn bestemming bereikte, bleef zeven dagen lang ter plekke, zag evenwel alleen het gebruikelijke grote aantal patrouillevaartuigen en af en toe een torpedoboot, hoewel hij van tijd tot tijd zo ver in de baai doordrong, dat hij deze tot aan het eiland Inchkeith kon overzien. Daarna keerde ook hij naar het vaderland terug.

Het leek er bijna op, alsof de verwachte Engelse tegenstoot nog op de dag na de terugkeer van de Duitse vloot na de aanval op Lowestoft zou plaatsvinden. Op de 26ste april werden tegen de middag door een voorpost, die de Rote Kliff-Bank doorkruiste, vijandelijke torpedoboten en een groot oorlogsschip met twee of drie schoorstenen op een zuidwestelijke koers gemeld. Hoewel het tijdstip van de dag voor een aanval niet bepaald gunstig was, leek het toch mogelijk, dat de vijand geen tijd verliezen wilde om de Duitse vloot nog tijdens het innemen van brandstof te verrassen. Na intensieve verkenning met vliegtuigen rukten daarom direct vijf Duitse torpedobootflottieljes naar het noorden op, terwijl uit Tondern de luchtschepen L 20 en L 23 opstegen. Een door twee vliegtuigen, vlak voor de Elbe gesignaleerde, ondergedoken onderzeeër werd door voorposten en torpedoboten weggejaagd. Nadat echter drie van radioapparatuur voorziene vliegtuigen, die vanuit List verkenningsvluchten uitvoerden, bij een zicht van 20 tot 30 zeemijl nergens vijandelijke strijdkrachten hadden gevonden, werden alle waarschuwingen ingetrokken.

Als er werkelijk in het noorden vijandelijke strijdkrachten waren geweest en deze hun mars naar het zuiden hadden voortgezet, dan was er een kans, dat een speciale eenheid van drie vissersboten, die, met torpedobuizen uitgerust, zich op dat moment 60 zeemijl noordwestelijk van Terschelling bevond en onmiddellijk op de hoogte was gesteld van alle meldingen, nog tot de aanval zou kunnen overgaan. Het eigenlijke doel van deze eenheid, die uit de vissersboten Bismarck, 1ste luitenant ter zee Schlieder, Dithmarchen, luitenant ter zee Woldag en Kehdingen, stuurman van de 1ste lichting van de "Seewehr" Eugen Schmidt bestond, was oorspronkelijk de bestrijding van vijandelijke onderzeeboten voor de Eems; in de loop der tijd had deze groep zijn patrouilles steeds verder naar zee uitgebreid en op de 25ste april toestemming gekregen, bij gunstig weer op te rukken naar de Doggersbank, waar men wellicht na de operatie tegen Lowestoft nog aanvallen kon uitvoeren op vijandelijke schepen die de achtervolging hadden ingezet. De tocht overdag verliep zonder resultaat, maar de volgende nacht (26/27 apr.) werd in de zuidwestelijke sector van de Doggersbank eerst de vissersboot Horus overvallen. Terwijl Kehdingen bij het buitgemaakte schip achterbleef, zette Schlieder met de beide andere schepen de strooptocht voort en kreeg om 2 uur 's nachts een met twee stukken geschut bewapend patrouillevaartuig in zicht van ongeveer 120 m lengte, vrijwel zonder opbouw met een vlak achterschip, en even daarna nog een tweede patrouilleschip. Toen hij zich onmiddellijk met zijn groep tussen de vijandelijke vaartuigen in drong, om, indien mogelijk, beide zowel met een bakboord- als met een stuurboordtorpedo aan te vallen, incasseerde de Bismarck, op 500 m gekomen, zelf een torpedoschot, dat evenwel zonder gevolgen bleef omdat de Engelse torpedo niet tot explosie kwam. Maar ook de direct hierna op 150 – 200 m door Bismarck afgevuurde torpedo's kwamen niet tot ontploffing, maar liepen onder de vaartuigen, die kennelijk een zeer geringe diepgang hadden, door, waarna een ervan na het afschieten van een van de 10,5 cm-kanons er met hoge snelheid vandoor ging. Doch het gelukte nu aan stoomschip Dithmarschen (Wolldag) het tweede vijandelijke schip in de baan van een schot te krijgen en het op 300 m afstand midscheeps ter hoogte van de zeer lange schoorsteen te treffen. Stukken metaal en hout vlogen over het dek en, toen de rook was opgetrokken, lag het schip, dat sterk slagzij maakte, stil, terwijl door de opengereten scheepswand een vuurgloed in een kolenbunker was te zien. Een minuut na de explosie gingen op het vijandelijke schip alle lichten uit en nog voordat Dithmarschen dichterbij kon komen voor een tweede schot was het, nadat de bemanning zich kennelijk in een boot had gered, gezonken. Volgens de kapitein van het stoomschip Horus ging het waarschijnlijk om een raderboot met een snelheid van 18 knopen, die in vredestijd op de Theems en van Hull naar Nederland passagiersdiensten had uitgevoerd en nu voor bewaking was ingezet. Jammer genoeg beschikten de Duitse schepen slechts over 3,7 cm-revolverkanons, anders was hun het andere schip vermoedelijk niet ontgaan. Toen Schlieder de volgende morgen (27 apr.) verslag deed over het verloop van het gevecht, liepen de voorpostenslagkruisers Moltke en Derfflinger met de 4de verkenningsgroep en de 3de en 4de torpedobootflottieljes uit en vormden om 4.30 uur 's middags een escorte voor de speciale eenheid van Schlieder. Omdat werd aangenomen, dat de vijand op het bericht van het verlies van het patrouillevaartuig zou uitrukken en naar het schip gaan zoeken of het opgebrachte schip zou achtervolgen, kreeg de opperbevelhebber van de torpedobootflottieljes, commodore Michelsen, opdracht de 3de en 6de flottieljes gereed te houden voor een nachtelijke uitval, terwijl de slagkruisers in het Hubert Gat, en de 4de verkenningsgroep in de Oostereems voor anker gingen. Om 21.15 uur voeren beide flottieljes met de lichte kruiser Rostock, fregatkapitein Otto Feldmann, uitgaande van een positie op de linie ten zuiden van de versperring bij de Doggersbank, ongeveer 40 zeemijl in de richting van de zuidwestelijke sector, zonder evenwel te stuiten op vijandelijke strijdkrachten, en werd bij het aanbreken van de dag (28 april) weer aansluiting gezocht bij genoemde voorposten, die vanuit de Jade het 3de eskader onder schout-bij-nacht Behncke gevolgd waren.

Onmiddellijk na de raid op Lowestoft waren behalve Seydlitz ook de linieschepen Friedrich der Grosse, Ostfriesland en Nassau naar de werf gevaren voor periodiek onderhoud, evenals verschillende schepen van het derde eskader voor kleinere reparaties aan de machines. Daarom moest de vlootleiding de komende tijd afzien van operaties op grote schaal. Om deze gevechtspauze niet nutteloos te laten passeren werd de bevelhebber van het 3de eskader (slagschepen) met König, Kronprinz, Kaiser en Kaiserin, alsmede de 4de verkenningsgroep, de 6de torpedobootflottielje en de 9de halfflottielje naar Kiel gestuurd, om samen met de 2de flottielje, die na het installeren van 10,5 cm-geschut weer gevechtsklaar was, in de westelijke Oostzee te gaan oefenen. Op 6 mei evenwel moesten alle strijdkrachten in de Noordzee terug zijn, aangezien admiraal Scheer een grote vlootoperatie in het Skagerrak van plan was.

Lit.: Marine-Archiv (red.): Der Krieg zur See 1914-1918. Der Krieg in der Nordsee. 5. Bd.: Von Januar bis Juni 1916. Berlin: Mittler, 1925. p. 113-158; Meyers Konversations-Lexikon, 6. Aufl., 13. Bd. (1908), art. "Marine-Ersatzwesen".