Hans-Jürgen von Arnim
Toen de Wereldoorlog was geëindigd ging hij over naar het voorlopige Reichsheer, dat in het voorjaar van 1920 nog 200.000 man telde, en werd aldaar ingedeeld bij het 29ste infanterieregiment. Toen de definitieve Reichswehr werd gevormd, een leger dat volgens "Versailles" maar 100.000 man mocht tellen, zodat staten als België en Tsjecho-Slowakije Duitsland militair de baas waren, werd A. er commandant van het 5de (Pruisische) infanterieregiment. In de herfst van 1921 werd hij overgeplaatst naar de opleiding van toegevoegd leidinggevenden bij de staf van de 2de divisie van de Reichswehr in Stettin; daarna volgde in okt. 1922 zijn overplaatsing naar de staf van Groepscommando 2 in Kassel en op 1 okt. 1924 naar het ministerie van defensie in Berlijn. Daar kwam hij te werken bij afdeling T 1 van het "Truppenamt" (de opvolger van de door "Versailles" verboden Grote Generale Staf). Er volgde nu overplaatsing op overplaatsing: okt. 1925 naar de staf van Groepscommando 1 in Berlijn; eind 1926 naar de staf van de 7de divisie van de Reichswehr in München (apr. 1928 majoor); okt. 1929 naar de staf van Artilleriecommando VII in Neurenberg (apr. 1932 luitenant-kolonel en als zodanig in okt. 1932 commandant van het 1ste bataljon van het 2de (Pruisische) infanterieregiment in Allenstein (Oostpruisen)); 1934 naar de staf van Artilleriecommando VI (juli 1934 kolonel).
Toen in 1935 de Reichswehr opging in de nieuwe Wehrmacht werd A. commandant van infanterieregiment 68 en op 1 jan. 1938 bevorderd tot generaal-majoor. Als uitvloeisel van de zgn. Blomberg-Fritsch-Affaire werd A. op 4 febr. 1938 als opvolger van generaal-majoor Günther Schwantes commandant van het Regionale Commandocentrum 4 in Schweidnitz. Tijdens de Poolse campagne kreeg hij op 8 sept. 1939 het bevel over de 52ste infanteriedivisie. In korte tijd verdiende hij de beide "Spangen" bij de hem een oorlog tevoren verleende IJzeren Kruizen.
Op 1 dec. 1939 werd A. tot luitenant-generaal bevorderd. Begin okt. 1940 droeg hij het commando van de 52ste infanteriedivisie over aan generaal-majoor Dr. Lothar Rendulic en werd in plaats daarvan op 5 okt. 1940 commandant van de nieuwe 17de tankdivisie die hij vervolgens leidde toen deze tijdens de veldtocht in Rusland als onderdeel van de Legergroep Centrum (Heeresgruppe Mitte) werd ingezet. Al na enkele dagen raakte hij gewond. Op 4 sept. 1941 werd hij onderscheiden met het ridderkruis van het IJzeren Kruis. Hersteld van zijn verwondingen nam hij half sept. 1941 het bevel over zijn divisie opnieuw ter hand.
Op 11 nov. 1941 werd A. belast met de leiding van het opperbevel van het 39ste legerkorps. Op 17 dec. 1941 werd hij vervolgens bevorderd tot generaal der pantsertroepen en daarmee ook daadwerkelijk opperbevelhebber van dit korps, dat in juli 1942 werd hernoemd in het 39ste pantserkorps, maar A. bleef er de commandant van. Op 1 dec. 1942 legde hij zijn commando neer en werd bij de zgn. Führerreserve ingedeeld; op 3 dec. 1942 werd hij bevorderd tot kolonel-generaal. Dezelfde dag nog werd hij benoemd tot opperbevelhebber van het 5de pantserleger. Hij kreeg de opdracht, het Tunesische bruggenhoofd tegen de geallieerde landingen ("Operation Torch") in Marokko te verdedigen. Dit gelukte en het 5de pantserleger kon aansluiten hij het Afrikakorps in Tunesië.
Na het terugroepen van generaal-veldmaarschalk Rommel uit Afrika nam A. begin mrt. 1943 het opperbevel over de Legergroep Afrika op zich, met welke hij 12/13 mei 1943 capituleerde. Hij raakte daarbij in geallieerde krijgsgevangenschap, waaruit hij in 1947 werd ontslagen.
Bron: Lexikon der Wehrmacht.