Hitler-Putsch

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
De deelnemers aan de Hitler-Putsch. Hitler staat 4de van rechts. Röhm (2de van rechts), generaal Ludendorff (links van Hitler) en Frick (3de van links) zijn ook te herkennen
De Bierkellerputsch of Hitler-Putsch vond plaats in de avond/nacht van 8 november op 9 november 1923. Op dat moment probeerde Adolf Hitler, samen met generaal Erich Ludendorff en een aantal medestanders, in München de macht te grijpen.

Hitler hoopte vanuit München de regering van de Duitse Weimarrepubliek omver te werpen. Hij kreeg echter niet voldoende steun en de poging werd uiteindelijk door politie en leger neergeslagen. Vier politieagenten en 16 demonstranten kwamen om bij deze gebeurtenis, die plaatsvond in de Bürgerbräukeller; vandaar de naam Bierkellerputsch.

Inhoud

Achtergrond

De Regering van Weimar kondigde in september 1923 de noodtoestand af wegens de gigantische inflatiepiek. In de praktijk hield zo'n noodtoestand in dat er grote bezuinigingsmaatregelen van kracht werden en dat er minder financiële middelen beschikbaar werden gesteld aan de deelstaatregeringen. In Beieren kwam de deelstaatregering wegens dit besluit in opstand en stuurde aan op onafhankelijkheid. De monarchistische premier van Beieren, Gustav Ritter von Kahr benoemde zichzelf met hulp van enkele vooraanstaande zakenlieden en corrupte Duitse Unionisten tot Staatscommissaris. Deze aanstelling gaf Von Kahr een zekere dictatoriale bevoegdheid en ruimte om een junta tot stand te brengen. Ofschoon Hitler niet geheel onsympathiek stond tegenover de opvattingen van Von Kahr, beschouwde hij deze slechts als een pion in het hele gebeuren. Hitlers visie botste te veel met Von Kahrs katholiek-seperatistische en monarchistische ideeën en het beeld van een zelfstandig Beieren stond Hitlers streven naar een Groot-Duitsland in de weg.

De voorbereiding

Adolf Hitler was via informanten al omstreeks maart 1923 op de hoogte van de maatregelen die de Beierse overheid wilde treffen als de Regering van Weimar de noodtoestand zou uitroepen. Dat zou een obstakel vormen in zijn streven naar een Groot-Duits Rijk.

Hitler ontving van zijn informanten het bericht dat Von Kahr en andere Beierse regeringsleden op 8 november 1923 zouden spreken in de Bürgerbräukeller, een bierhal in München. Hitler beschouwde München als machtscentrum van waaruit hij de Republiek van Weimar ten val zou brengen, en wilde deze stad in handen krijgen. Alfred Rosenberg, Rudolf Hess en Ulrich Graf (Hitlers lijfwacht) schaarden zich onmiddellijk rond Hitler. Daarop verzocht Hitler oud-oorlogsvlieger Hermann Göring (die al stond te trappelen van ongeduld om deze order in ontvangst te nemen) om die dag het commando te voeren over 600 SA'ers die de bierhal zouden omsingelen. Een leger van een onbekend aantal SA'ers onder commando van Ernst Röhm zou zich in de Löwenbräukeller (een naburige bierhal) verschansen en op telefonisch commando van Hitler cruciale gebouwen bezetten. Ook Heinrich Himmler was als SA'er aanwezig bij de Putsch; hij was vlaggendrager van Görings manschappen. Hitler rekende ook op de inzet van studenten van een school voor legerofficieren. Hij verwachtte van hen dat zij de SA zouden assisteren bij de bezetting van cruciale gebouwen.

De Putsch

Op 8 november rond acht uur 's avonds waren verscheidene kopstukken in de Bürgerbräukeller aanwezig. Ergens tussen half 9 en 9, toen Kahr ongeveer een half uur had gesproken, stormde een gewapende Hitler de zaal binnen gevolgd door Göring en een aantal stevig gebouwde medestanders. Hitler schoot in de lucht en schreeuwde dat de nationale revolutie begonnen was, dat de zaal door 600 zwaarbewapende SA-mannen was omsingeld en dat er een voorlopige regering was gevormd. Om deze woorden kracht bij te zetten werd een machinegeweer de zaal binnengesleept. Hitler zonderde zich vervolgens af met Kahr, Lossow en Seisser. Via hen trachtte hij controle over de Beierse staat (Kahr), politie (Seisser) en lokale legereenheden (Lossow) te krijgen. De drie weigerden aanvankelijk, maar zwichtten toen Ludendorff de zaal betrad. Een man van diens kaliber dwong natuurlijk groot respect af. Afgesproken werd dat deze vijf mannen onder leiding van Hitler een voorlopige regering zouden vormen. Een eed van trouw werd afgelegd. Elders in München werden ook o.a. het ministerie van oorlog en het hoofdbureau van politie door SA-mannen bezet. Jongeren liepen juichend door de straten en Hitlers aanhangers kondigden de revolutie aan via aanplakbiljetten. Maar toen liep alles mis.

Over wat er precies misliep verschillen de lezingen. Hitler hoorde van moeilijkheden onder stormtroepers elders en besloot hier zelf heen te gaan om de gemoederen te kalmeren. Kahr, Lossow en Seisser wisten Ludendorff over te halen hen te laten gaan. Onmiddellijk waarschuwden ze loyale leger- en politie-eenheden. Later zou Kahr beweren dat zijn eed niet gold omdat deze onder dwang was afgenomen. Toen Hitler laat in de nacht dacht dat alles opgelost was, was zijn revolutie in feite al verloren.

Toen de volgende dag bleek dat leger- en politie-eenheden door de drie overlopers gewaarschuwd waren, en het er steeds slechter uit begon te zien, besloot men tot een "mars op Berlijn". Er werd gehoopt dat de bevolking en het leger alsnog de kant van de coupplegers zouden kiezen. Er sloten zich tientallen mensen bij de optocht aan en toen het er ongeveer 2000 waren, werden ze tegengehouden door een politiekordon, dat echter overreed kon worden de weg vrij te maken. Bij een tweede kordon in de Residenzstrasse, schoot echter iemand in de lucht en er ontstond een vuurgevecht. Veertien nationaal-socialisten en vier agenten werden gedood. Ludendorff werd gearresteerd en Hitler uiteindelijk ook, evenals Röhm. Göring ontsnapte naar Oostenrijk.

Het proces

Hitler, Ludendorff, Röhm en een aantal andere nationaal-socialisten werden voor de rechtbank te München gedaagd wegens hoogverraad. Nadat hij zich over zijn teleurstelling door het mislukken van zijn staatsgreep had heengezet, voerde Hitler zelf zijn verdediging en deed dat met verve. Hij kon immers een boekje opendoen over de dubieuze rol van Kahr, Lossow en Seisser die zelf ook samenzweringsplannen hadden gehad en hadden toegestaan dat paramilitaire groeperingen zich konden bewapenen. Daarmee had hij de regering in ernstige verlegenheid kunnen brengen. Men durfde hem dus niet te hard aan te pakken.

De rechters waren opvallend mild. Hitler kreeg de kans zijn zitting te gebruiken om propaganda voor zijn politieke denkbeelden te maken en stak - nauwelijks onderbroken door de rechtbank - de ene na de andere donderspeech af, betoogde dat hij weliswaar formeel schuldig was, maar dat er geen hoogverraad mogelijk was tegen een grondwet en regering die niet door het volk gedragen werden. De samenzweerders kregen zeer lichte straffen, en Ludendorff werd vrijgesproken (waar hij zelf woedend over was). Het was duidelijk waar de sympathie van de rechters lag. Linkse juristen spraken schande van dit proces. Bovendien werd geen rekening gehouden met het feit dat Hitler voor eerdere ordeverstoringen twee maanden voorwaardelijke celstraf had gekregen en nog in zijn proeftijd zat. Daarnaast was Hitler een Oostenrijker en zou daarom moeten worden uitgewezen. En bovendien was Hitler beschuldigd van een misdrijf waarvoor hij eigenlijk door het Hooggerechtshof te Leipzig berecht had moeten worden, niet in München. Hitler werd uiteindelijk tot 5 jaar gevangenisstraf veroordeeld maar zou slechts dertien maanden vastzitten.

Het proces droeg ertoe bij dat de nationaal-socialisten tien rijksdagzetels bemachtigden en ook andere rechtse partijen sponnen er garen bij. Bovendien had Hitler nu landelijke bekendheid gekregen op een moment dat het gedaan leek met hem en zijn partij. De populariteit was echter van korte duur, terwijl Hitler in de gevangenis van Landsberg Mein Kampf schreef. Dat deed er niet toe, zelfs niet toen zijn aanhang ook na zijn vrijlating marginaal bleef. Hitler wachtte zijn kans af, tot hij in 1929 terug zou keren in de schijnwerpers.

In de jaren na 1933 werd tijdens bijeenkomsten regelmatig teruggedacht aan de strijd van de partij in de begindagen. De plek waar het vuurgevecht had plaatsgevonden, werd een heilige plek. Wie door de Residenzstrasse liep werd geacht de Hitlergroet te brengen. Aan de zijkant van de Feldhernhalle (een herdenkingshal voor de soldaten uit de Eerste Wereldoorlog) werd een gedenkplaat bevestigd met de namen van de gevallen kameraden. Die is na de Tweede Wereldoorlog vervangen door een plaat met de namen van de vier omgekomen politiemensen.



Dit artikel valt onder de GNU-licentie voor vrije documentatie
Persoonlijke instellingen