Italiaanse Oorlog (1859)

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Italië in de 19de eeuw (naar Meyer, Hist. Handatlas, 1911)
3rightarrow.pngZie ook Strijdtoneel Italië in de 19de eeuw voor een globale inleiding.

Sardinië had zich ten doel gesteld, de Oostenrijkers uit Italië te verdrijven, en wist Frankrijk voor zich te winnen door deel te nemen aan de oorlogen in de Oriënt en de belofte, Nizza en Savoye aan Frankrijk te willen afstaan. Sinds nieuwjaar 1850 hadden zowel Oostenrijk als Frankrijk en Sardinië zich militair versterkt. Oostenrijk verlangde op 23 apr. 1859 in een aan de regering in Turijn gericht ultimatum dat Sardinië zich ontwapende. Op de afwijzing daarvan staken op 29 apr. Oostenrijkse colonnes de Ticino over en rukten de Lomellina binnen, terwijl het Sardische leger zich reeds op 24 apr. bij Alessandria en Turijn had samengetrokken en uit Frankrijk troepentransporten naar Turijn en Genua onderweg waren.

Onder het opperbevel van Napoleon III werden in rap tempo 120.000 Fransen met 312 stukken geschut naar Italië gestuurd, terwijl koning Victor Emanuel 60.000 Sarden met 90 stukken geschut (onder wie de alpenjagers van Garibaldi) op de been bracht. Het Oostenrijkse veldleger in Italië onder graaf Gyulai bestond aanvankelijk slechts uit 110.000 strijdbaren met 364 stukken geschut, achter wie 80.000 man belegeringstroepen in het Lombardisch-Venetiaanse Koninkrijk stonden opgesteld.

Op 2 mei waren de Oostenrijkers zonder weerstand te ontmoeten tot aan de Po en de Sesia opgerukt, en het Sardische leger had zich tussen Alessandria en Casale verzameld; drie Franse korpsen stonden in Genua, twee bij Turijn. Gyulai marcheerde op Turijn af; op de 8ste bereikte zijn voorhoede de Dora Baltea. Daar kwam het bericht binnen, dat de Franse troepen zich bij die van Sardinië bij Alessandria hadden gevoegd, waarop Gyulai terugtrok naar een verdedigende stelling op de linkeroever van de Po en de Sesia tussen Pavia en Vercelli en deze liet versterken. Napoleon arriveerde op 14 mei in Alessandria en liet op 16 mei de Franse hoofdmacht rechts van Tanaro samentrekken, wat Gyulai noopte een zojuist aangekomen korps (25.000 man) op 18 mei ter versterking van zijn linkervleugel naar Piacenza en Stradella te verplaatsen en Vercelli op 19 mei te ontruimen. De volgende dag kwam het bij een met geweld gepaard gaande verkenningsoperatie van de Oostenrijkers op de rechteroever van de Po tot het gevecht bij Montebello.

Intussen waren vier Sardische divisies bij Vercelli opgerukt naar de linkeroever van de Po en opgedrongen naar de Sesia; Garibaldi was met zijn alpenjagers op 23 mei bij Sesto-Calende aan de Ticino aangekomen, was de rivier overgestoken, had Varese bereikt en daar een opstand georganiseerd. Een aanval van luitenant-veldmaarschalk Urban op Varese werd op 25 mei afgeslagen, op 27 mei werd Como door de alpenjagers bezet, maar op 31 mei werd Varese door Urban, die inmiddels versterking had gekregen, ingenomen, waarop Garibaldi naar het gebergte bij Cassano terugtrok.

De hoofdmacht van de Fransen was in afwachting van een aanval van de Oostenrijkers bij Montebello en Voghera geconcentreerd. Toen deze aanval uitbleef, besloot Napeleon zich bij het Sardische leger aan te sluiten en dan om het Oostenrijkse leger heen te trekken via Novara en Milaan, waarmee al een begin was gemaakt. Om ruimte voor de opmars links van de Sesia te maken, wierpen de Sarden op 30 mei de Oostenrijkse voorhoede terug, en uit het gevecht bij Palestro op 31 mei was op te maken, dat de hoofdmacht van de bondgenoten bij de Sesia moest staan.

Op 1 juni bezetten de Fransen Novara. Gyulai liet zijn rechtervleugel terugtrekken en gaf zijn in Milaan aangekomen versterkingen (10.000 man) bevel naar Magenta en het bruggenhoofd San Martino op te rukken; op 2 juni trok Gyulai het gehele leger achter de Ticino terug, waarvan de bovenloop door luitenant-veldmaarschalk Urban werd gedekt, doch 's middags ging de uit Novara komende Franse gardedivisie van Camou bij Turbigo de rivier over en koos positie bij de Naviglio Grande, terwijl de Franse gardedivisie zich van Mellinet tot dicht bij het bruggenhoofd van San Martino opdrong. De Oostenrijkers ontruimden in de nacht het bruggenhoofd, dat niet meer te houden was, maar het opblazen van de brug over de Ticino mislukte.

Op 3 juni waren de Oostenrijkers bij Magenta 40.000 man sterk; een sterkte die binnen een dag verdubbeld kon zijn; reden voor Gyulai om het gevecht aan te gaan. Napoleon had op 3 juni een Frans korps naar Turbigo, en twee Franse en drie Sardische divisies naar Novara en Galliate laten oprukken en voor de 4de juni de opmars van deze troepen naar Magenta bevolen, wat tot de Slag bij Magenta leidde. Weliswaar moesten de Oostenrijkers Magenta ontruimen, maar hadden op 5 juni nog steeds 70.000 man om de slag ter plaatse voort te zetten en konden het onderwijl van Vicenza naar Pavia overgekomen korps van de linkervleugel inzetten; intussen had Gyulai bevel gegeven Milaan en Pavia te ontruimen, en liet het leger achter de Adda terugtrekken .

Keizer Franz Josef had eind mei opdracht gegeven om het leger in Italië met drie korpsen te versterken en om een kustleger op te stellen en zich naar Verona begeven om het opperbevel persoonlijk op zich te nemen. De Fransen waren eerst nog bij Magenta gebleven, hadden 8 juni Milaan bezet en trokken langzaam op naar de Adda. Twee Oostenrijkse brigades (Roden en Boër) streden bij Melegnano eervol tegen twee Franse korpsen en hielden de opmars daarvan tot in de nachtelijke uren tegen; toch moest het Oostenrijkse leger door dit gevecht achter de Chiese terugtrekken en ontruimde Piacenza en Pizzighettone alsmede de hertogdommen en gezantschappen. De Fransen volgden langzaam via Cassano, de Sarden via Vaprio, en alleen de alpenjagers van Garibaldi vielen, via Bergamo aanstormend, op 15 juni de achterhoede van Urban aan bij Castenedolo, maar werden teruggeslagen. Tot 20 juni bleef de Oostenrijkse strijdmacht in de stelling tussen Lonato en Castiglione en trok daarna achter de Mincio terug; zij was nu verdeeld in twee legers (het 1ste onder graaf Wimpffen, het 2de onder graaf Schlik) en 10 legerkorpsen en 2 cavaleriedivisies sterk, die intussen bij Curtatone, bij de passen naar Tirol en bij de benedenloop van de Po stonden opgesteld.

De Fransen stonden op 20 juni bij Brescia en Bagnolo, de Sarden bij Calcinatello aan de Chiese, Garibaldi bij het Gardameer en het later aangesloten korps van prins Napoleon (zoon van Jérôme Bonaparte, de broer van Napoleon Bonaparte) in Piacenza en Toscane. Op 21 juni staken de bondgenoten de Chiese over, groepeerden zich in slagorde en vielen 24 juni in de richting van de Mincio aan: 47.000 Sarden naar Pozzolengo, 60.000 Fransen naar Cavriana, 48.000 Fransen naar Guidizzolo. Maar ook het Oostenrijkse leger kwam uit de stelling achter de Mincio tevoorschijn, stak 23 juni de rivier over en streek met 25.000 man bij Pozzolengo, met 64.000 man bij Solferino en Volta en met 67.000 man bij Guidizzolo en Cerlungo neer om op 24 juni naar Lonato en Castiglione op te trekken en slag te leveren, voordat het leger der bondgenoten door de aankomst van het op 60.000 man geschatte Franse reservekorps versterkt zou zijn. De confrontatie tussen beide legers vond 24 juni 's morgens plaats, waarna de Slag bij Solferino ontbrandde.

's Nachts gingen de Oostenrijkers in de oude stellingen achter de Mincio terug en op 28 juni achter de Etsch om de aankomst van versterkingen af te wachten. De bondgenoten kwamen op 24 juni niet verder dan San Martino, Cavriana en Solferino; op 25 juni bezetten twee Franse korpsen Pozzolengo en Volta, en pas op 27 juni besloot Napoleon Peschiera in te sluiten en de Mincio over te steken, voegde op 3 juli het bij Casalmaggiore aan de Po aangekomen Franse reservekorps samen met het leger in Goito en bezette op dezelfde dag Villafranca, Somma-Campagna, Castelnuovo en Valeggio met de overige korpsen; de Sarden stonden voor Peschiera en Garibaldi en de Sardische divisie Cialdini aan de grens met Tirol, die door het 6de Oostenrijkse korps en de landweer in een reeks gevechten (bei Bormio 2 en 3 juli, bij de Stilfser bergpas 8 juli, bij Rocca d'Anfo van 21 juni tot 8 juli) met succes verdedigd werd. Met het oog op de sterke stelling van het Oostenrijkse leger en de militaire kracht van de Duitse Bond (een groot deel van het leger van Pruisen was gevechtsklaar, en de bevelen om troepen samen te trekken bij de Rijn waren al uitgegaan) achtte Napoleon het beëindigen van de oorlog raadzaam en bood op 6 juli een wapenstilstand aan, die op 8 juli afgesloten werd en tegelijk een eind maakte aan de operaties van de vloot in de Adriatische Zee, die in de laatste dagen van juni waren begonnen.

Op 11 juli ontmoetten de beide keizers elkaar in Villafranca. Er kwam een verdrag tot stand, waarbij Oostenrijk Lombardije zonder Mantua en Peschiera via Frankrijk aan Sardinië afstond, terwijl Toscane en Modena weer aan de voormalige bezitters toevielen. Dit verdrag vormde de basis voor de vredesonderhandelingen, die 10 nov. 1859 in Zürich werden afgesloten.

Lit.: Campagne de l'empereur Napoléon III en Italie (met 2 atlassen, 1860-61); Der italienische Feldzug des Jahres 1859 (uitgegeven door de Pruisische generale staf, 1862); Der Krieg in Italien 1859 (uitgegeven door de Oostenrijkse generale staf, 3 dln., 1872-76); Kunz, H.: Von Montebello bis Solferino (1888); Bartels von Bartberg, E.: Der Krieg im Jahre 1859 (1894); Czeschka, H. v.: Österreichs Krieg gegen Frankreich und Piemont im Jahre 1859 (1912).