Italiaanse Oorlog (1866)

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Italië in de 19de eeuw (naar Meyer, Hist. Handatlas, 1911)
3rightarrow.pngZie ook Strijdtoneel Italië in de 19de eeuw voor een globale inleiding.

Toen door de tegenstrijdige politiek van Pruisen en Oostenrijk ook na het afsluiten van de conventie van Gastein (→ Duits-Deense Oorlog van 1864) een oorlog tussen beide Duitse grootmachten onvermijdelijk leek, sloot Italië een verbond met Pruisen om (de staat) Venetië te veroveren, en begon op 11 mrt. 1866 voorbereidingen te treffen voor een militaire confrontatie met Oostenrijk. Half juni 1866 waren het leger (20 infanteriedivisies en 1 cavaleriedivisie, samen 210.000 man) en een vrijwilligerskorps onder Garibaldi (36.000 man met 40 stukken geschut) gevechtsklaar, was de vloot in dienst gesteld en waren 70.000 man bezettingstroepen in de vestingen ondergebracht.

Oostenrijk had op 21 apr. 1866 zijn zuidelijke leger op oorlogssterkte gebracht en had midden juni in Italië 75.000 man veldtroepen, 13.000 man in Tirol, 16.000 man in Istrië en Friaul alsmede een bezetting van 39.000 man in de Venetiaanse vestingen; de flottielje in het Gardameer was versterkt en de vloot toegerust en bij Fasana samengetrokken.

Halverwege mei begon al de verplaatsing van Italiaanse troepen naar de Oostenrijkse grens. Men stelde twee legers op, een onder koning Victor Emanuel aan de Mincio (126.000 man), het tweede onder generaal Cialdini aan de benedenloop van de Po (84.000 man); het vrijwilligerskorps van Garibaldi verzamelde zich tussen Brescia en Rocca d'Anfo en moest tegen Tirol optrekken.

Op 9 mei nam veldmaarschalk aartshertog Albrecht in Verona het bevel over het zuidelijke leger op zich en concentreerde zijn troepen op de linkeroever van de Etsch tussen Lonigo en Montagnana. Op 20 juni verklaarde Italië de oorlog; op 23 juni gingen de Italianen de Mincio over en geraakten tot dichtbij Villafranca, Roverbella en Prentina; twee divisies marcheerden naar Mantua en Borgoforte.

Aartshertog Albrecht had het leger op 23 juni naar de rechteroever van de Etsch geleid en wilde 24 juni oprukken naar de hoogten van Somma-Campagna en Custozza. De Italianen wilden deze stelling die dag eveneens bezetten. Beide legers stieten bij hun opmars naar dit doel op elkaar en de Slag bij Custozza ontbrandde. De verslagen Italianen trokken naar Cremona terug, en Cialdini leidde zijn leger naar Modena en Bologna. Aartshertog Albrecht stak op 30 juni over naar de rechteroever van de Mincio, maar moest toen op 4 juli als gevolg van de Oostenrijkse nederlagen in Bohemen (→ Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog) de terugtocht aanvaarden. Op 11 juli werd hij tot opperbevelhebber van het gehele leger benoemd; een deel van het zuidelijke leger werd naar Wenen verplaatst; de rest trok zich terug achter de Isonzo. De aan de Isonzo en in Istrië achtergebleven troepen (42.000 man) kwamen onder bevel te staan van luitenant-veldmaarschalk baron von Maroićić.

De Italianen trachtten op 5 juli vergeefs het bruggenhoofd Borgo-Forte door een bombardement in te nemen, waarop Cialdini het liet belegeren. Op 18 juli was het niet meer te houden en werd het door de bezetting ontruimd. Op 8 juli had de hoofdmacht van Cialdini de Po bij Sermide overgestoken en trok op Rovigo aan, waarvan de vesting door het naar Padua terugtrekkende Oostenrijkse garnizoen was opgeblazen. Koning Victor Emanuel was op 10 juli naar Ferrara gegaan en had een deel van zijn leger ter versterking toegewezen aan het contingent van Cialdini; de koning wilde met drie korpsen de vestingen belegeren. Cialdini moest dan met 5 korpsen (150.00 man) langs de Isonzo de Alpen binnendringen, en de vloot moest Lissa aanvallen.

Op 20 juli werd de Italiaanse vloot bij Lissa (→ Slag bij Lissa) echter beslissend verslagen en moest onder de kanonnen van Ancona dekking zoeken. Cialdini bereikte 25 juli de rivier de Torre; 26 juli kwam het bij Versa tot felle gevechten, maar de door bemiddeling van Napoleon III bereikte wapenstilstand maakte een einde aan de strijd.

Het vrijwilligerskorps van Garibaldi was 23 juni tussen het Gardameer en de Stilfser Pas naar Tirol opgerukt, dat door 17.000 man van de landweer en keizerlijke troepen onder generaal-majoor baron von Kuhn verdedigd werd. Op 3 juli sloegen 600 man keizerlijke Jagers bij Monte-Suello een tot viermaal toe herhaalde aanval van de 2.800 man sterke Italiaanse brigade Corte in bloedige gevechten af. Op 4 juli werden de alpenjagers bij Vezza in Valcamonica nogmaals verslagen, maar boekten op 11 juli bij Spondalunga enig succes tegen de Oostenrijkse achterhoede.

Toen het Oostenrijkse zuidelijke leger naar de Isonzo was weggetrokken, begon Garibaldi een krachtig offensief vanaf het Idromeer, maar liet toe dat Kuhn bij de Stilfser Pas en de Tonale tegenstoten kon uitvoeren, die de opmars van het vrijkorps tot staan brachten. Op 16 juli sloot Garibaldi fort Ampola in en dwong dit op 19 juli tot overgave; op 21 juli echter werden bij Bezzeca 9 bataljons alpenjagers door 5.000 man van de landweer en Oostenrijkse troepen verslagen en grote verliezen toegebracht. De Italiaanse divisie Medici was op 20 juli naar Zuid-Tirol opgerukt, maar werd op 23 juli door de hardnekkige weerstand van 5.000 man Oostenrijkse troepen tegengehouden. Op 25 juli werd een wapenstilstand van kracht. Ten noorden van het Gardameer kregen de alpenjagers trouwens geen voet aan de grond, daar de Oostenrijkse flottielje op het meer op 20, 24 en 25 juli pogingen hiertoe met succes teniet deed.

Italië sloot zich niet aan bij de op 27 juli tussen Pruisen en Oostenrijk overeengekomen voorlopige vrede, en het zuidelijke leger aan de Isonzo moest derhalve tot 130.000 man, en de troepen in Tirol tot 22.000 man versterkt worden. Daarop ging Cialdini achter de Tagliamento terug; ook ontruimden de Italianen hun stellingen in Tirol, waarna op 12 aug. te Cormons tot een wapenstilstand van 4 weken werd besloten. Op 24 aug. 1866 werd door een verdrag Venetië aan Frankrijk en door dit land aan Italië afgestaan, en bij de Vrede van Wenen van 3 okt. 1866 nam Italië het deel van de Oostenrijkse staatsschuld over, dat ten laste van Venetië kwam.

Lit.: La campagna del 1866 in Italia (2 dln., uitgegeven door de Italiaanse generale staf, 1875-95); Scudier, A. v.: Betrachtungen über den Feldzug 1866 in Italien (1894); Attlmayr, F. v.: Der Krieg Österreichs in der Adria im Jahre 1866 (1896); Chiala, L.: Ancora un po' più di luce sugli eventi politici e militari dell'anno 1866 (1902).