Joseph Montrichard

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Joseph Élie Désiré Perruquet (de) Montrichard, Frans generaal, * Thoivette (Jura), 24 jan. 1760, † 5 apr. 1828. Diende aanvankelijk voornamelijk aan de Rijn. Werd in juli 1793 luitenant-kolonel en in juni 1795 kolonel.

Op 2 aug. 1795 stak M. bij Kehl met een klein aantal manschappen onder vijandelijk kanonvuur de Rijn over, nam de andere oever stormenderhand in bezit, maakte een groot aantal gevangenen, bezette het punt dat hij moest innemen, en droeg daarmee veel bij aan het dagsucces. Nog op het slagveld werd hij daarvoor beloond met de rang van brigadegeneraal.

Ook bij de oversteek van de Lech op 24 aug. 1795 ging hij vooraan, wierp zich op de vijand en dreef deze, hoewel die zich fel verzette, op de vlucht. Op 11 aug. 1798 werd hij benoemd tot stafchef bij het leger van Mainz.

M. volgde Joubert toen het Directoire deze had aangewezen als bevelhebber van het leger in Italië, en assisteerde hem bij het plan om heel Piëmont te veroveren. In okt. 1798 werd M. chef van de generale staf in Italië en in febr. 1799 divisiegeneraal en was commandant van Bologna kort voordat Schérer opperbevelhebber in Italië werd. Schérer werd verslagen bij Magnano (5 apr.) en M. kreeg tot taak erger te voorkomen in Toscane en Ligurië, een missie waarvan hij zich met succes kweet, want hij versloeg de Oostenrijkers meermaals en dwong ze het beleg van Urbino op te geven. Zijn werk was des te moeilijker omdat de Oostenrijkers in Toscane talrijke aanhangers hadden en de bevolking aanzetten om in opstand te komen, maar M. hield de zaak onder controle. Wel had hij toen een ernstig conflict met generaal Lahoz, commandant van de Cisalpijnse troepen, wat er toe leidde dat hij deze officier uit zijn functie onthief, en diens troepen onder zijn eigen bevel plaatste. Deze harde maatregel zou Lahoz echter in de armen van de vijand drijven.

In de bloedige slag aan de Trebbia (19 juni 1799) tussen Fransen aan de ene kant en Oostenrijkers en Russen aan de andere, was M. commandant van een divisie op de rechtervleugel. In de periode 1799/1801 nam hij weer deel aan de campagne aan de Rijn, droeg bij aan de overwinningen van Moreau, was in de voorste gelederen te vinden bij de gevechten bij Engen, Messkirch, Höchstädt, Stockach, Memmingen en Oberhausen, werd commandant van een van de divisies die Graubünden, Opper-Zwaben en Vorarlberg moesten bezetten en werd in nov. 1801 bevelhebber van de Franse troepen in Zwitserland. In de zomer van 1802 werd M. gouverneur van het hertogdom Lüneburg, tot hij naar Italië werd overgeplaatst en kreeg vervolgens, in nov. 1803, de troepen in Napels onder zijn hoede.

In de herfst van 1805 werd M. belast met het bezetten en in staat van verdediging brengen van Ancona, maar kort daarop beschuldigd van financiële malversaties, teruggeroepen naar Parijs en op non-actief gesteld. Hoewel hij enkele jaren later weer in genade werd aangenomen kreeg hij nooit meer belangrijke functies toevertrouwd. Zo werd hij in jan. 1808 overgeplaatst naar het leger in Dalmatië, kreeg in nov. 1809 het bevel over de 2de divisie van het 11de legerkorps, was in 1810 betrokken bij de organisatie van het leger in Illyrië, kreeg in 1812 een commando in Frioul, en diende in 1813 weer in de Illyrische provincies.

Bij de Vrede van 1814 verliet M. de actieve dienst. De koning sloeg hem tot ridder in de orde van de Heilige Lodewijk en gaf hem het bevel over de 6de militaire divisie in Besançon. Op 4 sept. ging hij definitief met pensioen. M.'s naam staat, naast die van vele andere geroemde militairen, gebeiteld in de Arc de Triomphe te Parijs.

Bron: Mullié, Biographie des célébrités militaires des armées de terre et de mer de 1789 à 1850, 1851.

Persoonlijke instellingen