Kriegsmarine

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Grootadmiraal Raeder begroet een van een missie teruggekeerde onderzeebootbemanning. Achter hem admiraal Dönitz

De Kriegsmarine was de Duitse marine ten tijde van het nationaalsocialistische bewind, die op 1 juni 1935 de Reichsmarine opvolgde. Weliswaar legde het Verdrag van Versailles aan de Duitse marine allerlei beperkingen op, maar in de zomer van 1938 gaf Hitler aan de opperbevelhebber van de Kriegsmarine, grootadmiraal Raeder, opdracht voor de versnelde opbouw van een vloot, die zich met Engeland kon meten (het zgn. "Plan Z"). Een oorlog met de Britten verwachtte hij overigens niet vóór 1944.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 bedroeg het personeelsbestand van de Kriegsmarine bijna 80.000 in plaats van de 15.000, die het op grond van "Versailles" mocht hebben. De Duitse vloot in opbouw hield zich aanvankelijk voornamelijk bezig met aanvallen op Britse koopvaardijschepen in de Atlantische Oceaan, maar werd ook ingezet voor oorlogshandelingen zoals bij de Poolse veldtocht, toen het oude linieschip "Schleswig-Holstein" (dat Duitsland nog had mogen houden van "Versailles") het startschot loste voor de Tweede Wereldoorlog.

De oppervlaktevloot was over het algemeen weinig succesvol. Het zogeheten vestzakslagschip "Admiral Graf Spee" was in dec. 1939 voor de Rio de la Plata door de eigen bemanning tot zinken gebracht, en bij de invasie van Denemarken en Noorwegen ("Operatie Weserübung") leed de Kriegmarine grote verliezen toen de zware kruiser "Blücher", twee lichte kruisers, negen onderzeeboten en tien torpedobootjagers verloren gingen. Een geplande landing in Engeland ("Operatie Seelöwe") moest wegens zwakte van de vloot (en het verlies van de Luftwaffe in de Slag om Engeland) worden afgeblazen. Na de uitschakeling van het superslagschip "Bismarck" kwam het accent (net als in de Eerste Wereldoorlog) meer en meer op een onbeperkte onderzeebootoorlog te liggen, die weliswaar niet beslissend, maar wel - zeker aanvankelijk - succesvol was. Een geallieerde zeeblokkade, zoals in de vorige wereldoorlog, had ook minder effect, omdat Duitsland onbeperkt uit de economie van het bezette Europa kon putten.

Nadat Raeder in jan. 1943 was opgevolgd door onderzeebootbevelhebber Dönitz, werd de zeeoorlog definitief een onderzeebootoorlog en werden bijna alle oppervlakteschepen teruggetrokken. Doordat de geallieerden een voorsprong in techniek hielden (ASDIC) liepen de Duitse onderzeebootverliezen aanzienlijk op (1943 237, 1944 241 en 1945 153 boten). De nieuwere types kwamen pas tegen het einde van de oorlog beschikbaar en konden geen gewicht meer in de schaal leggen. Ten slotte was er nog een eervolle rol weggelegd voor de Kriegsmarine bij het via de Oostzee evacueren van vluchtelingen voor de oprukkende Russen. Twee miljoen mensen werden op die manier gered.

De materiële verliezen van de Kriegsmarine bedroegen tijdens de oorlog 4 slagschepen (Bismarck, Tirpitz, Scharnhorst en Gneisenau (de laatste twee ook als slagkruiser geclassificeerd), 2 zware kruisers (Blücher, Admiral Hipper), 3 pantserschepen (Admiral Graf Spee, Lützow (vh. Deutschland, later als zware kruiser geclassificeerd), Admiral Scheer), 4 lichte kruisers (Karlsruhe, Königsberg, Köln, Emden), 2 linieschepen ("pre-dreadnoughts", Schleswig-Holstein, Schlesien), 95 torpedobootjagers en torpedoboten en 152 zgn. "Schnellboote". Van de 1170 onderzeeboten gingen er door vijandelijke acties 684 verloren, 215 werden aan het eind van de oorlog door de eigen bemanning opgeblazen en 153 werden door de vijand geconfisqueerd. Eveneens verloren gingen ca 2.000 kleinere vaartuigen voor verschillende taken. Het verlies aan mensenlevens van 1 sept. 1939 t.e.m. 31 jan. 1945 bedroeg 174.419 incl. vermisten en gewonden.

Lit.: Stern, R.C.: Kriegsmarine. A pictorial history of the German navy 1935-1945 (1979); Bekker, C.: Das grosse Bildbuch der deutschen Kriegsmarine 1939-1945 (1973).