Krimoorlog

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Zuidoost-Europa en Kleinazië omstreeks 1880 (naar Hettema, Hist. Schoolatlas, ed. 1910)

De Krimoorlog of de Oorlog in de Oriënt was de van 1853 tot 1856 gevoerde oorlog tussen Rusland enerzijds en Turkije en diens bondgenoten Frankrijk en Engeland (waarbij zich op 26 jan. 1855 ook Sardinië aansloot) anderzijds. De aanleiding was de zogenoemde Orïëntaalse Kwestie: de afbrokkeling van het Osmaanse Rijk en het daarmee verband houdende verschuivende machtsevenwicht. Rusland wierp zich op als beschermheer van de Grieks-orthodoxe christenen in het Turkse Rijk, en toen sultan Adb ul-Medsjid in 1852 weliswaar op het Heilige Graf had gezworen, de rechten van de Griekse Kerk te zullen respecteren, tegelijk echter de rooms-katholieken toestond, in de kapel van de Olijfberg de mis te lezen, verscheen eind febr. 1853 prins Mensjikow als Russisch afgezant in Konstantinopel en eiste erkenning van het Russische protectoraat voor de rechten van de Griekse Kerk in Turkije, vastgelegd in een verdrag, dat in overeenstemming was met de Vrede van Küčük-Kainardža van 21 juli 1774. Deze eis werd door de Turken afgewezen en een Russisch ultimatum, vertrouwend op hulp van de westerse mogendheden, waarvan de vloot al op 14 juni 1853 bij Tenedos in de Egeïsche Zee was aangekomen, verworpen. Hierop bezette een Russisch legerkorps onder prins Gortsjakow de Donauvorstendommen, waarop Turkije Rusland de oorlog verklaarde.

De gevechten in Europees Turkije

Nadat Gortsjakow de eis om genoemde vorstendommen te ontruimen had genegeerd, liet Omar Pasja op 23 okt. een korps bij Calafatu de Donau oversteken. De verenigde vloot van de bondgenoten liep op 25 okt. 1853 de Bosporus binnen; een Turks eskader werd op 30 nov. door de Russische admiraal Nachimow in de haven van Sinope verrassend aangevallen en vernietigd. Dit was voor de westerse mogendheden aanleiding, hun vloten op 5 jan. 1854 naar de Zwarte Zee te verplaatsen en aan Rusland een ultimatum te stellen. Toen de Russische tsaar, Nicolaas, hierop niet reageerde, verklaarden de bondgenoten op 28 mrt. de oorlog.

Aan de Donau hadden de Turken op 6 jan. met succes slag geleverd bij Tsjetate. Op 23 mrt. staken de Russen onder Paskewitsj de Donau op drie plaatsen over en rukten in apr. op in de Dobroedsja tot aan de Trajanuswal, maar slaagden er niet in de hardnekkig verdedigde vesting Silistria in te nemen.

Oostenrijk had inmiddels een waarnemingskorps aan de Servische grens opgesteld en troepen in Hongarije en Galicië samengetrokken. Dit was voor Nicolaas aanleiding de Donauvorstendommen te ontruimen. De Russen toonden zich op een conferentie te Wenen verzoeningsbereid, maar achtten zich in hun eer aangetast door een viertal door de westerse mogendheden gestelde scherpe eisen. Een Frans leger, 40.000 man onder maarschalk Saint-Arnaud en een Engels, 15.000 man onder Lord Raglan, hadden zich bij Gallipoli verzameld en trokken reeds eind juni het Turkse leger bij Varna tegemoet, maar problemen met de voedselvoorziening, gebrek aan transportmiddelen en de uitbraak van de cholera maakten militaire operaties onmogelijk. Ten slotte werd besloten tot een expeditie naar de Krim om Sebastopol te veroveren en de Russische Zwarte-Zeevloot te vernietigen.

De belegering van Sebastopol

Op 14 sept. 1854 landden de bondgenoten bij Eupatoria op de Krim, versloegen op 20 sept. de Russen onder Mensjikow aan de Alma en kwamen 28 sept., geleid door Canrobert en Lord Raglan bij Sebastopol aan. Op 9 okt. begon de eigenlijke belegering, die Mensjikow tweemaal (bij Balaklawa op 25 okt. en bij Inkerman op 5 nov.) trachtte te breken. Op 9 apr. 1855 begon de beschieting van de stad, die 9 sept. 1855 door de Russen, nadat ze alle artillerie hadden vernietigd en hun schepen hadden laten zinken, werd ontruimd en op 10 sept. door de bondgenoten, inmiddels door Sardische hulptroepen onder La Marmora versterkt, werd bezet. Daarmee was de oorlog op de Krim na een opmars naar Kinburn met enkele onbeduidende gevechten bij Eupatoria, geëindigd.

De oorlog ter zee

Intussen was op 2 mrt. 1855 tsaar Nicolaas gestorven en zette zijn opvolger, Alexander II, de operaties voort. Een Engelse vloot van 39 schepen met 2.000 stukken geschut onder sir Charles Napier en een Franse vloot onder admiraal Perseval-Deschènes voeren in het voorjaar van 1854 de Oostzee binnen, verenigden zich op 13 juni bij Sweaborg (Finland, destijds Russsisch bezit) in de Barösund en richtten daarop de aanval op Bomarsund, dat zich pas, toen Franse landingstroepen onder Baraguay d'Hilliers bij de vloot waren aangekomen, na een belegering van zes dagen op 16 aug. overgaf. De troepen keerden direct naar hun vaderland terug, de vloten volgden, nadat ze tot aan de winter de Russische havens geblokkeerd hadden.

In 1855 nam admiraal Dundas het bevel over. Hij liep in apr. met 62 schepen uit, wierp 16 mei voor Reval het anker uit en ging naar Kronstadt, waar een Frans eskader van vier schepen onder Pénaud zich bij hem voegde. De Russische vloot liet zich echter niet naar buiten lokken, en de bondgenoten meerden weer bij Reval af bij het eiland Nargen (Nargö), en namen de kust onder vuur. Ten slotte arriveerden in juli en aug. 1855 de kleinere vaartuigen en de reserveafdeling, en de admiraals vielen nu met 75 schepen Sweaborg aan. De beschieting begon 9 aug., leverde echter geen resultaat op en werd daarom 11 aug. afgebroken. Reeds in sept. lichtten de vloten het anker en begaven zich huiswaarts. Eveneens vruchteloos bleven de kleine expedities in 1854 en 1855 in de Witte Zee en de Stille Oceaan.

De strijd in Klein-Azië

In Klein-Azië overschreed op 28 okt. 1853 een Turks leger van 65.000 man de grens, maar werd in verscheidene gevechten teruggeworpen. Tot dan toe waren de Russen door een onder de bergvolken in de Kaukasus uitgebroken opstand, ontketend door moslimleider Sjamyl, er niet in geslaagd Turks gebied binnen te dringen. Toen de bergvolken zich echter weer in hun woonsteden teruggetrokken hadden, bezetten de Russen op 31 juli 1854 de Turkse grensvesting Bajasid en brachten het Turkse leger op 5 aug. bij Köruk-Dere een complete nederlaag toe.

In febr. 1855 nam Moerawjew het opperbevel over het mobiele korps in Trans-Kaukasië op zich. Het Turkse leger onder Wassif Pasja bevond zich bij Erzeroem en had Kars met 13.000 man bezet. Moerawjew omsingelde Kars, ondernam op 29 sept. een stormaanval, en dwong op 28 nov. de stad tot overgave. Omer Pasja was overigens al eind sept. bij Soechoemkale geland, maar had zijn 30.000 man strerke leger pas half okt. in beweging gezet. Op 3 dec. stuitte hij op de Russen onder Bagration die zich in een sterke stelling hadden verschanst, en toen 7 dec. het bericht van de capitulatie van Kars binnenkwam, aanvaardde hij de terugtocht.

De Vrede van Parijs

Zo stonden de zaken er eind 1855 voor, zonder dat een der partijen wezenlijk voordeel had bereikt, toen er plotseling vrede werd gesloten. Hogere politieke overwegingen hadden Napoleon III daartoe bewogen. Op 30 mrt. 1856 kwam de Vrede van Parijs tot stand, die 27 apr. 1856 werd geratificeerd. Daarbij werd tussen Rusland enerzijds en Turkije c.s. anderzijds overeengekomen, dat de wederzijdse veroveringen ongedaan werden gemaakt, dat het Russische protectoraat over Moldavië en Wallachije werd opgeheven en Turkije het daar opnieuw voor het zeggen kreeg, dat Rusland een deel van Bessarabië afstond dat bij Moldavië werd gevoegd, dat Servië een zekere mate van zelfstandigheid werd toegezegd (hoewel het deels door Turkije bezet bleef), dat de Zwarte Zee werd geneutraliseerd en dat de vrije scheepvaart op de Donau werd gegarandeerd. De Europese mogendheden namen genoegen met de toezegging van de sultan, dat in het Turkse Rijk volledige geloofsvrijheid zou worden ingevoerd en dat elk politiek voorrecht van de islam zou worden opgeheven, maar dit stuitte alras op heftige tegenstand van de moslims. Zo vonden er in 1860 in Damascus en in Libanon bloedige christenvervolgingen plaats, waarop Frankrijk ingreep, met 4.500 man in Beiroet landde en 10 maanden in het land bleef.

Lit.: Figes, O.: De Krimoorlog of de vernedering van Rusland (2010); Gooch, B.D.: The origins of the Crimean War (1969); Geffcken, F.H.: Zur Geschichte des Orientalischen Krieges 1853-56 (1881).