Oostenrijk-Hongarije

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Oostenrijk-Hongarije in 1907 (naar Brockhaus, Kleines Konv.-Lexikon)

Door de nederlaag in de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog van 1866 en de daarop volgende ontbinding van de Duitse Bond was Oostenrijk zijn leidende rol in Duitsland aan Pruisen kwijtgeraakt en dat beïnvloedde ook de binnenlandse politieke verhoudingen. In febr. 1867 kwam de Oostenrijks-Hongaarse "Ausgleich" (compromis) tot stand, waarna "Oostenrijk" verder ging als "Oostenrijk-Hongarije" (Duits: Österreich-Ungarn), bestaande uit de onafhankelijke staten Oostenrijk en Hongarije (voordien deel uitmakend van Oostenrijk), gezamenlijke oppervlakte 676.615 km² met (1910) 51.390.223 inwoners, destijds na Rusland het grootste land van Europa.

Het staatshoofd was tegelijk keizer van Oostenrijk en koning van Hongarije: van 1848-1916 Franz Josef en van 1916-1918 Karl I. Oostenrijk en Hongarije hadden elk een eigen parlement, een eigen premier en afzonderlijke ministeries, maar Buitenlandse Zaken, Financiën en Defensie werden door gemeenschappelijke ministeries behartigd.

Wat de buitenlandse politiek betreft onderhield Oostenrijk-Hongarije sinds 1879 nauwe banden met het nieuwe Duitse Rijk, waarbij zich in 1882 Italië aansloot. Maar de betrekkingen met dit land in de zogeheten Dreibund waren nooit van de innigheid die de relatie met het Duitse Rijk kenmerkte. Met het aantreden van troonpretendent Franz Ferdinand en vooral sinds de benoeming van Conrad von Hötzendorf tot chef van de generale staf in 1906 leek Oostenrijk-Hongarije een koers te gaan varen die erop gericht was de stabiliteit van de "Donaumonarchie" te vergroten, enerzijds door deels tegemoet te komen aan de heersende onvrede onder de Slavische minderheden van het land, anderzijds door het hoofd te bieden aan het ageren van Servië dat deze onvrede voortdurend aanwakkerde, vooral nadat de Groot-Servische droom na de Oostenrijks-Hongaarse annexatie van Bosnië-Herzegowina in 1908 was uiteengespat. Vergeefs pleitte Conrad voor een preventieve oorlog tegen Servië, ja zelfs tegen het gewantrouwde Italië.

Midden-Europa bij het begin van de Eerste Wereldoorlog (naar Diercke, Schul-Atlas, 1931)
Midden-Europa na de Eerste Wereldoorlog (naar Diercke, Schul-Atlas, 1931)

Franz Josef wenste echter geen oorlog, tenzij die Oostenrijk-Hongarije werd opgedrongen. Na de Balkanoorlogen (1912/13), toen Servië en Montenegro uitdagende eisen aan de Donaumonarchie gingen stellen, kon oorlog nog vermeden worden, maar de moord te Sarajevo op Franz Ferdinand en zijn echtgenote op 28 juni 1914 was de druppel die de emmer deed overlopen. Nadat Oostenrijk-Hongarije Servië op 28 juli 1914 de oorlog had verklaard, volgde op 29 juli de mobilisatie van Rusland, dat het etnisch verwante Servië in bescherming nam. Daarop volgde oorlogsverklaring op oorlogsverklaring. De Eerste Wereldoorlog kon beginnen!

De vredessterkte van het Oostenrijks-Hongaarse leger bedroeg in 1912 361.938 man en 34.146 officieren met 1322 stukken geschut. Servië werd met Duitse hulp moeizaam uitgeschakeld en de oorlog verliep voor Oostenrijk-Hongarije met wisselend succes. Nog hachelijker dan het verloop van de strijd te velde was echter de situatie in het land zelf. Het grootste gevaar voor de samenhang van de Dubbelmonarchie school in het onafhankelijkheidsstreven van de Tsjechen. Talrijke Tsjechische soldaten, ja, hele bataljons, waren naar de Russen overgelopen. Invloedrijke Tsjechische politici zoals Thomas Masaryk (1850-1937, de latere eerste president van Tsjecho-Slowakije) gingen naar het buitenland om steun te zoeken voor een zelfstandige Tsjechische staat; anderen, zoals Karel Kramář (1860-1937, de latere eerste premier van Tsjecho-Slowakije), die in het land bleven, werden in mei 1915 wegens hoogverraad gearresteerd en tot zware straffen veroordeeld (aanvankelijke doodvonnissen werden overigens in vrijheidstraffen omgezet). Grote problemen gaf ook de dood van keizer Franz Josef op 21 nov. 1916. De jonge, onervaren, licht beïnvloedbare keizer Karl I verving tijdens zijn korte regeerperiode van twee jaar liefst vijf maal zijn minister-president. In mrt. 1917 onderhandelde hij via zijn zwager, prins Sixtus van Parma, rechtstreeks met de Entente over een afzonderlijke vrede (→ Sixtusaffaire).

In de op 30 mei 1917 bijeengeroepen Rijksraad (het Oostenrijkse deel van de volksvertegenwoordiging) tekende zich langzamerhand een anti-Duitse stemming af. Op 2 juli 1917 werd een amnestieregeling voor politieke gevangenen afgekondigd, zelfs voor degenen, die wegens hoogverraad waren veroordeeld. Het leek of de monarchie van binnenuit zou worden opgeblazen. Toen ook de totale militaire ineenstorting naderde, was de bodem onder de dynastie en Oostenrijk-Hongarije reeds weggeslagen. Op 16 okt. 1918 kondigde een keizerlijk manifest de omvorming van Oostenrijk in een statenbond aan, doch het was te laat. Reeds op 5 okt. had zich te Zagreb een comité gevormd dat het bestuur in Kroatië overnam. Hetzelfde gebeurde in Praag door de Tsjechische volksvertegenwoordiging op 28 okt. De provincies ("Länder") die deel uitmaakten van het rijk maakten zich los van de dynastie. Daarmee had de Oostenrijks-Hongaarse Monarchie opgehouden te bestaan.

De Oostenrijks-Hongaarse marine, steunend op de Italiaanse bezittingen van de Habsburgers en op de haven Pola, maakte in de loop van de 19de eeuw een langzame ontwikkeling door. Haar grote tijd was de Oorlog van 1866. Hoewel de Italiaanse vloot driemaal zo sterk was als de Oostenrijkse en over het nieuwste materiaal beschikte, werd zij bij Lissa (→ Slag bij Lissa) door Tegetthoff verslagen. Bij het begin van de Wereldoorlog waren 12 slagschepen, waaronder 3 'dreadnoughts', 3 oudere zware kruisers, 8 lichte kruisers, 81 torpedoboten en 6 onderzeeboten beschikbaar. Het marinepersoneel omvatte 911 officieren en ongeveer 20.000 man. Aangezien de tegenstanders (Fransen, Engelsen en Italianen) zich in de Adriatische Zee beperkten tot een defensieve strategie, kwam het niet tot een beslissende confrontatie op grote schaal.

Bij de zeegevechten die plaatsvonden, hebben de kruisers van de Oostenrijks-Hongaarse marine zich duchtig geweerd, waarbij vooral de latere regent van Hongarije, de toenmalige kapitein Horthy (1868-1959), zich bijzonder onderscheidde. In de tweede helft van de oorlog werd na de verovering van de Bocht van Cattaro van daar uit samen met de Duitsers een succesvolle handelsoorlog met onderzeeboten gevoerd tegen de geallieerden.

Op de Donau had de Oostenrijkse marine 12 oorlogsvaartuigen van elk 300 – 600 t met in totaal 27 middelzware en 80 lichte stukken geschut en 80 machinegeweren. Deze keizerlijke en koninklijke Donauflottielje was tijdens de Wereldoorlog door het beveiligen van vaarwegen en bruggen, soms ook door inzet bij operaties te velde (met name bij de strijd in Roemenië) van belang. Bij het vredesvoorstel in de herfst van 1918 moesten de oorlogsschepen aan de geallieerden worden uitgeleverd.

De geografische entiteit van Oostenrijk-Hongarije, die overigens al eeuwen vrijwel dezelfde vorm had, werd na afloop van de Eerste Wereldoorlog door de geallieerden verdeeld onder de nieuwgevormde staten Zuidslavië, Tsjecho-Slowakije en Polen terwijl Roemenië en Italië ook brokken toegeschoven kregen. Oostenrijk en Hongarije werden na 400 jaar gescheiden en verloren bijna driekwart van hun grondgebied. Voor Oostenrijk (Verdrag van Saint-Germain, 1919) bleef nog 83.833 km² (= -72,06 %) over en voor Hongarije (Verdrag van Trianon, 1920) 92.951 km² (= -71,44 %), na enkele latere kleine grenscorrecties nagenoeg gelijk aan de huidige grootte.