Otto von Bismarck
Uit Milpedia
Otto Eduard Leopold von Bismarck, vorst van B.-Schönhausen, hertog van Lauenburg (1890), * Schönhausen, 1 apr. 1815, † Friedrichsruh, 30 juli 1898, Duits staatsman. Na rechtenstudie in Göttingen en Berlijn (1832-35) was B. in overheidsdienst. In 1847 werd hij tot lid van de Pruisische Landdag (parlement) verkozen. Uiterst conservatief beschouwde hij de Pruisische koning als opperste gezagsdrager aan wiens autoriteit niet te tornen viel. Na de mislukte revolutie van 1848 werd hij door de koning tot gezant bij de Bondsdag (parlement van de Duitse Bond) in Frankfort a.d. Main benoemd. B. toonde zich daar een uitgesproken opponent van het dominerende Oostenrijk (waarvan de Kroonlanden eveneens tot de Duitse Bond behoorden); hij zocht daartoe steun bij het Duitse nationalisme en was voorstander van toenadering tot Rusland, waarvoor hij zich altijd zou blijven inzetten. Maar doordat er in Pruisen een liberale meerderheid ontstond belandde B. op een zijspoor en werd in 1859 gezant in St. Petersburg en in 1862 in Parijs.
Inhoud |
De oorlogen
De nieuwe Pruisische koning Wilhelm I benoemde B. echter in sept. 1862 tot Pruisisch minister-president en minister van Buitenlandse Zaken. Met volledig negeren van de liberale oppositie regeerde hij drie jaar lang zonder dat zijn begroting was goedgekeurd. Zich verzekerd wetend van Russische vriendschap, Franse neutraliteit en een (geheim) bondgenootschap met Italië gebruikte hij in 1864 de kwestie Sleeswijk-Holstein (→ Duits-Deense Oorlogen) om in 1866 op een Oorlog met bondgenoot Oostenrijk (→ Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog) aan te sturen als een stap in de richting van het door hem gekoesterde ideaal van een verenigd Duitsland zonder Oostenrijk onder Pruisische leiding. Hoewel gevoerd tegen de zin van de koning en van vele conservatieven, deed de Pruisische overwinning in laatstgenoemde oorlog de stemming ten gunste van B. omslaan; zelfs fervente politieke tegenstanders kregen waardering voor zijn beleid. B. verwierf een ruime parlementaire meerderheid en stichtte met liberale steun in 1866 de Noordduitse Bond.
De Duitse eenheid
In de jaren die volgden gaf B. herhaaldelijk blijk van zijn diplomatieke meesterschap. De Frans-Duitse Oorlog, de laatste stap naar de volledige Duitse eenheid werd door B. op een gunstig moment (de Spaanse troonopvolging, → Emser Depêche) uitgelokt, zodat Frankrijk Pruisen de oorlog verklaarde. B. was vol vertrouwen. "Oorlog is een natuurlijke toestand voor de mens," verklaarde hij. De Duitse overwinning leidde tot de vereniging van de Noord-Duitse Bond met de zuidelijke Duitse staten in het Tweede Duitse Rijk dat op 18 jan. 1871 in Versailles werd uitgeroepen. De Pruisische koning Wilhelm I werd keizer en B. rijkskanselier.
Buitenlands beleid
Het buitenlands beleid van B. richtte zich in eerste instantie op het aanhalen van de banden met Oostenrijk en Rusland ('Dreikaiserverhältnis') met als voornaamste doel Frankrijk politiek te isoleren. Het Congres van Berlijn (1878) onder B.'s regie over de Russische invloed op de Balkan na de Russisch-Turkse Oorlog (1877/78) was echter aanleiding tot een verwijdering in de Duits-Russische betrekkingen. In 1879 werd met Oostenrijk een bondgenootschap, de 'Zweibund', gesloten, waarbij zich in 1882 Italië aansloot (→ Dreibund). Toch trachtte B. de relatie met Rusland door het zgn. 'Rückversicherungsvertrag' (een niet-aanvalsverdrag, 1887) op peil te houden.
Binnenlandse politiek
In het binnenlands beleid had B. na 1871 met grote problemen te kampen, toen hij te maken kreeg met twee nieuwe politieke partijen, de katholieke Centrumspartei en de sociaal-democraten. Tegen het katholieke centrum voerde hij de zgn. 'Kulturkampf' (1872-78), die echter - hoewel hij zich onverzettelijk toonde ("Nach Canossa gehen wir nicht!") - op een mislukking uitliep. De socialisten bestreed hij doordat hij sinds 1878 op een kamermeerderheid van conservatieven en Centrum kon rekenen. Zijn meesterzet was echter de door hem tegelijk ingevoerde voor die tijd zeer progressieve sociale wetgeving (o.a. pensionering op 65-jarige leeftijd), waarmee hij de socialisten de wind uit de zeilen nam.
Op militair terrein kwam B. in conflict met het Centrum, dat uit de regering stapte. Het oplaaiende revanchisme ('Boulangisme') in Frankrijk wakkerde in Duitsland evenwel eensgezindheid en saamhorigheid aan. In 1887 behaalde B. een grote verkiezingsoverwinning en kon met conservatief-liberale steun zijn militaire wetgeving zonder moeite door het parlement loodsen. Maar het tij keerde; bij de verkiezingen van 1890 leed de conservatief-liberale coalitie een verpletterende nederlaag. De 'ijzeren kanselier' geraakte in conflict met de nieuwe keizer, Wilhelm II, o.m. over de sociale wetgeving en over de verlenging van het Rückversicherungsvertrag met Rusland. De keizer achtte het verlengen van dit verdrag onnnodig en dreef Rusland daarmee in de armen van Frankrijk wat uiteindelijk leidde tot de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog. B. nam ontslag en trok zich verbitterd terug op zijn slot Friedrichsruh in Sleeswijk-Holstein, waar hij in 1898 overleed.
Een democraat was B. niet; ook hing hij niet in het bijzonder een bepaalde ideologie aan. Veeleer was hij een 'Realpolitiker', voor wie het doel, de Duitse eenheid, alle middelen heiligde. Zijn Verzamelde Werken verschenen van 1924-35 in 19 delen.
Literatuur
Taylor, A.J.P.: Bismarck (1955); Dittrich, Z.R.: De opkomst van het moderne Duitsland (2 dln., 1956); Pflanze, O.: Bismarck and the development of Germany (1963); Augstein, R.: Otto von Bismarck (1990).
