Piet Hein

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Hein, Piet.jpg
Pieter Pieterszoon Hein (soms ook geschreven Heyn), meer algemeen bekend als Piet Hein, Nederlands admiraal, * Delfshaven, 15 nov. 1577, ⚔ voor Dungeness, 18 juni 1629. H. bracht enkele jaren in Spaanse gevangenschap als galeislaaf door maar werd in 1608 uitgewisseld tegen de admirant (admiraal) van Arragon. Tussen 1608 en 1617 voer hij ter koopvaardij en vergaarde reeds een aanzienlijk vermogen. Bij de oprichting van West-Indische Compagnie was hij de tweede bewindhebber bij de Kamer van de WIC in Rotterdam. In 1623 trad hij als vice-admiraal in dienst van de WIC en onderscheidde zich het volgende jaar op de door de maatschappij bevolen tocht naar Amerika bij de verovering van de stad St. Salvador op 8 mei 1624.

In 1626 werd H. door de WIC tot admiraal van de vloot aangesteld, echter onder het opperbevel van admiraal Bouwe Heyns, die zich destijds met een ander deel van de vloot in West-Indië bevond. H. had opdracht zich bij hem aan te sluiten en gezamenlijk de Portugezen te bestrijden. Die vereniging had echter niet plaats en daardoor mislukte dit jaar de voorgenomen verovering der Spaanse zilvervloot. Hij bleef evenwel in zee en beproefde een aanval op de vijandelijke schepen in de haven die in de Allerheiligenbaai in Brazilië voor anker lagen, een schier roekeloze onderneming.

Onder het geschut van de stad lag een Spaans-Portugese vloot van 26 schepen voor anker. Slechts drie van zijn schepen konden de nauwe doorgang passeren om de vloot te bereiken. Toch veroverde hij met behulp van deze vaartuigen 23 vijandelijke schepen, die met rijke buit uit de kolonie beladen waren, zeilde van daar de gehele Braziliaanse kust zegevierend langs, verbrandde of veroverde nog vijf vaartuigen en keerde, slechts met verlies van twee van zijn schepen, naar het vaderland terug. Hij had op die tocht twee lichte verwondingen opgelopen, een door een musketkogel aan de arm, een andere door een splinter aan het been.

H.'s meest roemruchte wapenfeit greep plaats in het jaar 1628. Hij was met een nieuwe vloot van 24 schepen uitgezeild, en had het geluk zonder slag of stoot in de Baai van Matanzas op het eiland Cuba de rijke Spaanse zilvervloot te veroveren en behouden naar het vaderland te brengen. H. had hiervan slechts een nederig verslag aan de bewindhebbers gezonden en werd jubelend in het vaderland ingehaald. Allerwegen werd bij het aanschouwen van de grote schatten de loftrompet over hem gestoken, maar hij bleef bescheiden en vergenoegde zich de bewindhebber De Laet toe te voegen:
„Zie hoe het volk nu raast, om dat ik zulke schatten te huis breng, daar ik weinig voor gedaan heb; te voren, als ik er voor gevochten en veel grotere daden gedaan had dan deze, heeft men zich niet aan mij gekeerd."

De Staten-Generaal schreven een dank- en vreugdedag uit. Op deze dag werd H. door stadhouder Frederik Hendrik te gast uitgenodigd en van landswege met een grote gouden ketting met medaille beloond. Na het verdelen van de buit, waarvan H. een aanzienlijk deel verwierf, kocht hij te Delft een voor hem passende woning en wenste zijn overige dagen in rust door te brengen. Het vaderland verlangde evenwel nog zijn diensten en in de plaats van de bij Grol (Groenlo) gesneuvelde Willem van Nassau werd hij tot het aanzienlijke ambt van luitenant-admiraal van Holland bevorderd, en legde als zodanig op 19 apr. 1629 de eed af.

In mei van dat jaar koos een vloot onder H. zee ter bestrijding van de Duinkerker kapers. Op 18 juni ontmoette men drie kaperschepen, die felle tegenstand boden. H. ging er met zijn gewone stoutmoedigheid op los, maar de Duinkerkers gaven hem de volle laag, waarbij hij door een kogel zodanig in de schouder getroffen werd, dat hij dood neerviel. Zijn dood werd door een glansrijke overwinning gewroken, maar het vaderland was in diepe rouw gedompeld.

H. werd op staatskosten plechtig te Delft in de Oude Kerk ter aarde besteld, waar hij nog heden rust in een praalgraf in het koor van genoemde kerk. Hij was gehuwd met Annetje Claasdochter de Reus, bij welke hij geen kinderen had en die 10 nov. 1640 overleed te Rotterdam en in de Grote Kerk, waar haar grafzerk nog te zien is, begraven werd.

(Naar Van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, dl. 8 (1867), e.a.)

Lit.: Boer, M.G. de: Piet Heyn en de zilveren vloot (1946).