Russisch-Turkse Oorlog 1877/78

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Toen in 1875 in Herzegowina en in Bosnië een grote opstand tegen de Turkse heerschappij was uitgebroken, trok Servië samen met het kleine Montenegro in de zomer van 1876 ten strijde tegen Turkije, moest echter het onderspit delven en werd gedwongen een nadelige vrede te sluiten. De Russische tsaar Alexander II greep hierop als beschermheer van de Slavische broedervolken in en verklaarde op 24 apr. 1877 de oorlog aan de Turken. Montenegro en Roemenië (een recente samenvoeging van beide Donauvorstendommen) sloten zich weldra bij Rusland aan; Servië volgde iets later.

Rusland en Turkije waren in de loop der eeuwen voortdurend met elkaar in oorlog. De vrede tussen beide landen was zelden van lange duur en het aantal oorlogen was zo talrijk, dat de naslagwerken van mening verschillen over het juiste aantal ervan. De oorlog van 1877/78, die meestal wordt aangeduid als de zesde, werd op twee fronten gevoerd: in Klein-Azië (hoofdzakelijk in Transkaukasië) en in Europees Turkije (hoofdzakelijk op het grondgebied van het huidige Bulgarije).

De troepensterkten

Op 24 apr. 1877 waren aan Russische kant gevechtsklaar: in de Kaukasus 164.000 man, aan de kust van de Zwarte Zee 56.000 man en in Bessarabië 136.000 man. Het voor de Donaulanden bestemde leger, dat op 15 juni uiteindelijk 216.000 man telde, beschikte over 24 demontabele stoombarkassen. Opperbevelhebber in Europa was grootvorst Nicolaas de oudere, in Azië adjudant-generaal Loris-Melikow.

De Turkse strijdkrachten waren als volgt verdeeld: het Donauleger onder Abd ul-Kerim Pasja met ongeveer 160.000 man waarvan er 35.000 man onder Osman Pasja bij Vidin lagen, ongeveer 100.000 man in de vestingdriehoek Sjoemla - Roetsjoek - Silistria - Varna en langs de Donau; in de Dobroetsja lagen zwakke onderdelen, de rest bij Tirnova, Sjipka enzovoort. Bovendien werd een groeiend aantal reserves in Sofia en Konstantinopel achter de hand gehouden. De Donauflottielje was door 6 schepen van de zeevloot versterkt en bestond uit 4 pantserkorvetten, 9 monitors, 5 pantserboten en 5 kanonneerboten. Bovendien hielden zich 15.000 man aan de Servische grens op en in Bosnië en Herzegowina; 25.000 man stonden tegen Montenegro in het veld; ook in Albanië en Macedonië bevonden zich troepen.

De strijd in Klein-Azië

Territoriale ontwikkeling Zuid-Rusland en de Kaukasus (naar Putzger, Hist. Schul-Atlas, ed. 1942)

Op 24 apr. 1877 rukte het Russische veldleger in vier colonnes Armenië binnen. Generaal Dewel verscheen 5 mei voor Ardahan, versterkte zich met de troepen van generaal Heiman en sloot de stad op 14 mei in; 16 mei werd deze gebombardeerd en 17 mei bestormd. Nadat de stad was ingenomen, werd het grootse deel van de troepen naar Kars verplaatst ter versterking van het contingent aldaar. In Kars had Melikow bij Zaim een bivak betrokken, rukte echter op 29 mei met een divisie en talrijke cavalerie-eenheden op naar Hadsji-Chalil en Ardost aan de rivier de Kars, terwijl prins Tsjawtsjawadse in de nacht van 31 mei 4.000 Turkse ruiters bij Bagli-Achmed uiteendreef. Het kamp bij Zaim werd opgegeven en het gros van de belegeringstroepen op de hoogte westelijk van Kars opgesteld. Op 9 juni arriveerde grootvorst Michael in Kürükdara en nam het opperbevel ter hand; 15 juni werd een uitval uit de vesting teruggeslagen; 17 tot 23 juni werden de forten Muchlis, Arab en Karadagh gebombardeerd. Intussen echter had Mukhtar Pasja zijn veldleger aan de Soghanlü-Dagh tot 35.000 man versterkt en was opgerukt op de weg naar Bajasid; 19.000 man onder Ismail Pasja sloegen op 26 juni bij Zewin een aanval van de Russen onder Melikow af, zodat de belegering op 9 juli afgebroken werd.

Generaal Tergoekassow trok op 28 apr. naar Bajasid, dat 29 apr. door de Turkse bezetting ontruimd werd, zette de opmars voort naar het zuiden, bestormde op 16 juni de sterke stelling bij Delibaba en weerde op 21 juni een aanval van Muktar Pasja in een bloedig gevecht af. Daarop haastte hij zich terug om het door de Turken ingesloten Bajasid te ontzetten en doorbrak op 10 juli de Turkse belegeringsring, bevrijdde de Russische bezetting en liet de vesting slopen, waarna gezamenlijk de terugtocht naar Igdir werd aanvaard.

Ondertussen hadden de Turken in Abchazië de islamitische bevolking tot een opstand opgehitst, die weldra oversloeg naar het gebied van de Terek en naar Dagestan. Op 5 mei beschoot een Turkse vloot Poti en op 12 mei Soechoem, dat op 16 mei na aanhoudende bombardementen ingenomen werd. Eind mei was de hele kust van Kaap Adler tot Kaap Drandy in Turks bezit en werd het gebied van de Koeban ernstig bedreigd, toen de eerste versterkingen onder generaal Alchasow arriveerden, die 1 juni een landingspoging bij Sotsji en 13 juni een van land- en zeezijde tegen Itori gerichte aanval afsloegen, 23 juni bij Merguli zegevierden en op 27 juni Otsjomsjiri heroverden. Met de bezetting van Soechoem door de Russen (31 aug.) eindigde de opstand aan de kust, terwijl de opstand van de bergvolken pas in jan. 1878 volledig onderdrukt kon worden.

In Armenië werd in aug. de opstelling van de Russische troepen aangepast om de linkervleugel bij Eriwan en de hoofdcolonne bij de rivier de Kars te versterken. In sept. arriveerden nieuwe troepen. Generaal Oklobsjio weerstond op 13 en 24 aug. en op 21 sept. aanvallen van de uit Batoem opgerukte Derwisj Pasja in bloedige gevechten en bezette op 28 dec. de Chutzubanistelling en het gebied tot de rivier de Kintrisji.

Half aug. had generaal Melikow het grootse deel van de Alexandropolcolonne in het legerkamp van Kürükdara samengebracht; tegenover hem lagen de troepen van Mukhtar Pasja in een vrijwel onneembare stelling. Op 25 aug. werd een aanval van de Turken weliswaar afgeslagen, maar bleef de Kisil-Tepe vlak voor de Russische linies in vijandelijke handen. Op 2 okt. viel Melikow de Turkse stelling zonder succes van het noorden uit aan en ging op 4 okt. naar het kamp in Kürükdara terug. Een nieuwe aanval van de Russen onder opperbevel van grootvorst Michael eindigde op 15 okt. met de totale nederlaag van de vijand bij de Aladsja-Dagh. Mukhtar snelde met 6.000 man van Kars naar de Soghanlü-Dagh terug, doch werd door generaal Heiman, die op 4 nov. de voor Erzeroem opgeworpen versterkte stelling van Dewe-Bojum bestormde, verslagen. Erzeroem bleef in vijandelijke handen tot aan het einde van de oorlog en kon pas na het sluiten van de voorlopige Vrede van San Stefano in apr. 1878 door de Russen worden bezet. Kars was na de overwinning aan de Aladsja-Dagh ingesloten. In de nacht van 18 nov. werden de vesting en de forten stormenderhand veroverd.

De strijd in Europa

Het hoofdtoneel van de strijd in Europa (naar Stieler, Handatlas, ed. 1881, bl. 56)

De Russen maakten zich eerst meester van de voor de opmars belangrijke spoorbrug over de Sereth niet ver van Braila (25 apr. 1877) en versperden de Donau bij Braila en Galatz door torpedoboten, die op 9 en 26 mei Turkse pantserschepen vernietigden. Op 22 juni staken de Russen de Donau over, en rukten op 15 juli op tot aan de Trajanuswal. In nov. werd een gebied over een lengte van drie dagmarsen voor de Trajanuswal bezet.

De Russische hoofdmacht stak bij Zimnicea de Donau over en verdreef de zwakke Turkse bezetting na een fel gevecht. Generaal Goerko rukte nu met de 12.000 man sterke voorhoede naar Tirnova en Seljvi op, overschreed op 13 juli 35 km oostelijk van de Sjipkapas de Balkan, versloeg op 16 juli Kulussi Pasja bij Uflani en veroverde op 17 juli Kazanlik, terwijl gelijktijdig van het noorden uit een aanval op de Turkse stelling in de Sjipkapas door delen van de 9de divisie plaatsvond. Op 18 juli viel Goerko vanuit het zuiden de Sjipkapas aan, waarop de Turken op 19 juli de stelling ontruimden. Maar daarna riepen grote Turkse troepenconcentraties bij Jamboli en bij Adrianopel de verdere opmars van Goerko een halt toe.

Bij Sistowa waren pas op 10 juli vier Russische legerkorpsen (het 8ste, 13de, 12de en het 9de) erin geslaagd de Donau over te steken, terwijl tegelijkertijd de stelling tegenover Nikopoli door Roemeense troepen was bezet. Op 16 juli werd Nikopoli nadat het een daglang onder vuur was genomen, veroverd, waarop 18 juli een zwakke divisie naar Plevna voor een aanval op Osman Pasja werd gestuurd, welke laatste uit Vidin oprukte. Op 19 en 20 juli werden de aanvallen van de Russen op Plevna afgeslagen (→ Slag bij Plevna), waarop Nikopoli door de Roemenen werd bezet en de daar geposteerde Russische divisie alsmede verdere versterkingen uit Tirnova en Osmanpazar gedurende vijf dagen (tot 25 juli) naar Plevna werden overgebracht, en in Rusland 185.000 man van de rijksweer onder de wapenen geroepen werden. Op 30 juli viel generaal Krüdener de Turken bij Plevna nogmaals aan, maar werd bloedig teruggeslagen. De situatie van het Russische leger was derhalve begin aug. uiterst hachelijk en kon tot een catastrofe leiden, als Osman Pasja uit Plevna en Mehemed Ali Pasja, die sinds 18 juli het opperbevel over de Turkse hoofdmacht voerde uit Razgrad naar de Beneden-Jantra oprukten en aanvielen. Terwijl Osman Pasja werkeloos in Plevna bleef, rukte Suleiman Pasja op 18 aug. op naar de Sjipkapas, bezette 20 aug. het dorp Sjipka en bestormde van 21 tot 27 aug. de pas zelf. Weliswaar werden alle aanvallen door de Russen afgeslagen, maar Suleiman Pasja bleef met zijn troepen in de buurt van de pas aanwezig, bombardeerde de Russische stelling tot 17 sept. haast onafgebroken en ondernam nog verscheidene zij het vergeefse aanvallen.

De grootvorst-troonopvolger had na de nederlaag van het westelijke leger bij Plevna de troepen die voor Roetsjoek stonden achter de Zwarte Lom teruggetrokken; zijn voorhoede handhaafde zich op de linie van de Witte Lom tot aan Spahilar; tegenover hem lagen 60.000 man veldtroepen van Mehemed Ali Pasja in Roetsjoek, Razgrad, Eski-Džumaja en Osmanpazar (daarachter reserves bij Sjoemla en 12.000 Egyptenaren bij Varna); hij wierp op 30 aug. het 13de legerkorps bij de Zwarte Lom terug, terwijl het korps van Roetsjoek op 31 aug. en 4 sept. vergeefse aanvallen op Kadiköi ondernam. Op 5 sept. versloeg Mehemed Ali het 12de legerkorps bij Kazeljevo, waarop de Russen de linie van de Zwarte Lom geheel opgaven en naar Bjela terugtrokken en op 21 sept. een aanval van de Turken en Egyptenaren op de positie in Tsjairkiöi terugsloegen. Mehemed Ali leidde nu het leger naar Razgrad en Eski-Džumaja terug, waarna op 2 okt. Suleiman Pasja het opperbevel over het Turkse oostelijke leger op zich nam. Dit betrok een verschanst legerkamp bij Razgrad, terwijl de Russen weer tot aan de linie van de Zwarte Lom opdrongen. Op 19 nov. staken de Turken met ongeveer 12.000 man de Lom over, verwoestten Pirgos en rukten op tot bij de Russische hoofdstelling bij Mečka. Op 4 dec. namen de Turken Marian, Slatarica en Elena in, maar werden op 6 dec. weer uit Slatarica verdreven. Op 12 dec. hervatte Suleiman de aanval op de Russische stelling bij Mečka, doch werd teruggeworpen, waarop zijn leger in wanorde naar Roetsjoek vluchtte.

Tijdens deze gevechten was Osman Pasja, van wiens troepen 35.000 man in Plevna en 5.000 man bij Loveč lagen, door het Roemeense leger en de inmiddels gearriveerde Russische versterkingen ingesloten en 10 dec. gedwongen te capituleren. Goerko en Karzow hadden het hele gebied tot aan de Balkan van Turkse troepen gezuiverd en op 24 okt. Dolnji-Dubniak en Gornji-Dubniak, op 28 okt. Teliš na een felle strijd ingenomen, en tevens de naar Sofia leidende Balkanpassen onder controle gekregen.

Territoriale ontwikkeling Europees Turkije 1812-1878 (naar Putzger, Hist. Schul-Atlas, ed. 1942)
Op 14 dec. verklaarde ook Servië de oorlog aan Turkije. Goerko veroverde 31 dec. en 1 jan. 1878 de Baba-Konekpas, terwijl ook uit Tasjkisen en Etropolje eenheden de Zlaticapas overtrokken; 3 jan. 1878 was Mehemed Ali bij Sofia reeds van drie kanten ingesloten, zodat hij op 4 jan. in zuidwestelijke richting naar Kustendil wegtrok. Daarop overschreed generaal Karzow op 8 jan. de Balkan via de Trajanuspas; voorts liet generaal Radetzki op 5 jan. ten oosten en ten westen van de Sjipkapas colonnes het gebergte oversteken, waarbij het op 8 jan. tot hevige gevechten kwam, die eindigden met de capitulatie van 25.000 Turken. Op 14 jan. veroverde Goerko Philippopel, waar op 16 jan. ook generaal Karzow arriveerde, terwijl de Turken onder Fuad Pasja trachtten terug te trekken door het Rhodopegebergte. De Serviërs hadden op 19 dec. de Nicolaaspas, op 24 dec. Ak-Palanka en op 28 dec. Pirot na zware gevechten veroverd en komend vanaf de Morava op 23 dec. een begin gemaakt met de belegering van Nisj.

Ook de Montenegrijnen waren sinds begin aug. opgetreden tegen de Turkse landweer, hadden op 8 sept. het garnizoen van Nikšić tot capitulatie gedwongen en tot eind sept. verscheidene forten van de Dugapas veroverd, en tevens alle aanvallen van de Turken in het vorstendom afgeslagen. Prins Nikita dwong ook op 10 jan. 1878 Antivari tot overgave. Op 19 jan. werd Dulcigno, op 29 jan. het fort Lesendra aan het Meer van Skoetari veroverd, waarna Nikita de Bojana overstak en Skoetari insloot.

Op 9 jan. werd Mehemed Ali met het opperbevel over alle troepen in Europees Turkije belast, en kreeg tegelijkertijd de opdracht met het Russische opperbevel een wapenstilstand overeen te komen. Op 19 jan. werd Adrianopel ontruimd en de volgende dag door de Russen bezet; alle nog beschikbare Turkse troepen werden in de verdedigingslinie van Tsjataldsja samengetrokken en onder bevel geplaatst van Mukhtar Pasja.

Terwijl de Russische troepen tot dichtbij Konstantinopel oprukten, namen op 27 jan. in Adrianopel de wapenstilstandsonderhandelingen een aanvang, die 31 jan. werden afgesloten. Het Russische hoofdkwartier werd naar San Stefano (aan de Zee van Marmara) verplaatst waar op 3 mrt. tussen Rusland en Turkije een voorlopige vrede (→ Vrede van San Stefano) werd gesloten, die echter tijdens de Congres van Berlijn (1878) sterk in het nadeel van Rusland werd gewijzigd.

Lit.: Springer: Der Russisch-Türkische Krieg von 1877 und 1878 in Europa (7 dln., 1891-93); Rüstow, F.W.: De Russisch-Turksche oorlog in 1877-78 (vert., 1878).