Rwandese genocide

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Rwandese genocide
Onderdeel van UNAMIR
Datum 6 april - 15 juli, 1994
Locatie Rwanda
Resultaat
Troepensterkte
Interahamwe
Impuzamugambi

FPR

Frankrijk
België
Rwanda
Verenigde Staten van Amerika
Verliezen
Rwanda: Doden: 500,000-1,000,000 mensen België: Doden: 10 Commandos


Één van de talloze slachtoffers van de genocide

De Rwandese genocide, ook wel Rwandese burgeroorlog genoemd, was een volkerenmoord die in 1994 plaatsvond in Rwanda. Gedurende deze genocide werden naar schatting 500.000 tot 1 miljoen Tutsi's en gematigde Hutu's in een periode van 100 dagen, van 6 april tot half juli 1994, vermoord. De meeste moorden werden gepleegd door twee extremistische Hutu milities, de Interahamwe en de Impuzamugambi. De genocide werd gestopt door de Tutsi rebellenbeweging bekend als de Front Patriotique Rwandais (FPR), geleid door Paul Kagame. Na de overname van Rwanda door FPR werd Kagame president.


Oorzaak

De oorzaak van de oorlog ligt in de historische verhoudingen tussen Hutu-meerderheid (90%) en de Tutsi-minderheid (10%). Al in de vijftiende eeuw werd Rwanda geregeerd door een Tutsi koninklijke familie. Ook het grootste deel van de Rwandese adel bestond uit Tutsi, al waren er ook aristocraten van Hutu-afkomst. De meeste Hutu, maar ook veel Tutsi, waren arme boeren.

In 1890 werd Rwanda samen met het naburige Burundi door Duitsland gekoloniseerd. De Duitse aanwezigheid was minimaal en er veranderde weinig. In 1918 werden Rwanda en Burundi overgedragen aan België nadat Duitsland de Eerste Wereldoorlog had verloren. De Belgen bemoeiden zich, in tegenstelling tot de Duitsers, actief met de kolonie. Om hun gezag te laten gelden voerden de Belgen een verdeel-en-heersstrategie. De Tutsi-minderheid werd omgevormd tot een exclusieve Tutsi-elite, die de arme Hutu-meerderheid, onder aanmoediging van het koloniale gezag, wreed onderdrukte. Het Belgische bestuur over Rwanda duurde tot 1 juli 1962, waarna Rwanda onafhankelijk werd. De Belgen lieten een gapende tegenstelling tussen de bevolkingsgroepen achter, die leidde tot sociale spanningen.

In 1962 werd de Tutsi-elite door de Hutu verdreven waarna die de macht overnamen. Kleine vergeldingsacties tegen achtergebleven Tutsi vonden plaats in de jaren '60, '70 en '80. In 1990 viel het door Tutsi geleide Front Patriotique Rwandais (FPR) Rwanda binnen met de bedoeling om zich er blijvend te vestigen. Dit leidde tot gevechten, maar met behulp van Zaïrese, Franse en Belgische troepen wist de regering van de Hutu Juvénal Habyarimana in het zadel te blijven.

Voorafgaand aan de genocide

Aan de volkerenmoord ging een goede voorbereiding vooraf: in de maanden voor de moord werden Hutu via de radio opgehitst tegen de "Tutsikakkerlakken". Ook zouden machetten zijn ingekocht waarmee de Tutsi vermoord moesten worden. Hutu werden tot moorden gedwongen als ze niet meededen aan de genocide. Deze dwang werd uitgeoefend door gezinsleden van weigeraars te vermoorden of door te dreigen met moord. Hutu die met een Tutsi waren getrouwd werden gedwongen om hun geliefden te vermoorden, wat velen onder dwang deden.

De internationale vredesmacht die in de regio gestationeerd was, UNAMIR, greep niet in vanwege het krappe mandaat van de troepen. Dit is de Verenigde Naties en vooral de leden van de Veiligheidsraad op veel kritiek komen te staan.

Begin genocide

De VN-vlag

Op 6 april 1994 werd een vliegtuig met daarin de Rwandese president Juvénal Habyarimana en de president van Burundi Cyprien Ntaryamira neergeschoten tijdens de voorbereiding om te landen in Kigali. Beide presidenten stierven toen het vliegtuig neerstortte.

De werkelijke daders zijn niet bekend. Toentertijd was Habyarimana in gesprek met de FPR over het delen van de macht. Onderzoekers van de Verenigde Naties verdachten, in eerste instantie, dat Hutu-extremisten in Habyarimana's familiekring hem hadden vermoord, uit angst dat de FPR als gevolg van de gesprekken teveel macht zou krijgen.

Echter, recente getuigenissen beweren dat de schuld ligt bij leden van de FPR, mogelijk met hulp van buitenlandse huurmoordenaars. In januari 2000 vertelden drie Tutsi-informanten de Verenigde Naties dat zij onderdeel uitmaakten van een elite team dat aanslag op het leven van de Hutu-president had gepleegd. In 1997 vertelden zij onderzoekers van de VN dat de moord op Habyarimana was uitgevoerd met hulp van een buitenlandse regering onder commando van Paul Kagame. De reden hiervoor was de ontevredenheid over de langzame voortgang van gesprekken betreffende de Arusha-akkoorden. Op dit moment loopt er een rechtszaak in Frankrijk waarin de rol van FPR bij de aanslag wordt onderzocht.

Op 7 april 1994 gaf de Canadese generaal Romeo Dallaire, die de leiding had over UNAMIR, opdracht aan tien Belgische VN-soldaten om de nieuwe president en voormalig minister-president, Agathe Uwilingiyimana, te begeleiden naar een Radiostation waar Agathe een oproep tot kalmte zou doen. De soldaten raakten maar met moeite tot aan de residentie van Agathe en werden daar onthaald door een kogelregen. De Belgen verzekerden de aftocht van Agathe naar haar buren maar raakten zelf in de problemen. Ze werden gegijzeld en weggebracht naar Kamp Kigali. Daarop werden Agathe Uwilingiyimana en haar man vermoord. Later die dag werden de Belgische soldaten dood gevonden, ze werden afgeslacht. België was geschokt, omdat Dallaire zijn soldaten in gevaar had gebracht, en trok hierop zijn soldaten terug. Later bleek dat Dallaire tenminste twee Belgische soldaten op de grond had zien liggen toen hij die voormiddag voorbij Kamp Kigali reed, hij greep niet in.Toen de Belgische militairen dit hoorden,wilden ze ingrijpen,ze werden echter door hun overste en het gebrekkige VN mandaat tegengehouden.

7 april 1994, de moord op 10 Belgische ParaCommando's

Een Sectie Para-Commando's + een Korporaal en de pelotonscommandant van het Peloton mortieren van het 2 Commando, onder leiding van de PL Commandant Lt Lotin vormen ze een Detachement die in staat op 7 april 1994 in voor de beveiliging van eerste minister Agathe. Tijdens deze opdracht wordt de residentie van eerste minister Agathe omsingeld door Rwandese militairen die zonnen op wraak. De ParaCommando's doen wat hen verwacht wordt en verzekeren de ontsnapping van eerste minister Agathe, die later alsnog vermoord wordt. Door ervoor te zorgen dat mevrouw agathe kon ontsnappen, worden de ParaCommando's echter zelf omsingeld en moeten ze, op bevel van hogerhand, hun wapens afgeven. Met de beslissing om de wapens af te geven wilde men trachten te onderhandelen om zo de ParaCommando's alsnog ongeschonden vrij te krijgen. Dit zou in eerste instantie gelukt zijn en de Lt Lotin heeft aan het hoofdkwartier van zijn bataljon kunnen melden dat ze werden meegenomen naar het militaire kamp van Kigali. Eenmaal daar aangekomen verspreidt de Rwandese majoor François-Xavier Nzuwonemeye de leugen dat de Belgen de moordenaars zijn van hun president, daarna laat hij het oordeel over wat er met de Belgen dient te gebeuren over aan de, door hem opgehitste, FAR-Militairen. De ParaCommando's zelf zetten interventieteams in, maar deze stuiten op sterke weerstand. De Bengaalse QRF, die moet instaan voor snelle interventie, sluit zich op in haar kwartieren en de Canadese generaal Romeo Dallaire, die de overmeesterde ParaCommando's in hoogst eigen persoon op de grond ziet liggen, komt niet tussen.... Op 8 april om 06u25 richt de korpscommandant van het 2de Commando via de radio het woord tot al zijn eenheden:

"Ik moet jullie de ergste boodschap ooit mededelen. Onze tien kamaraden Lt Lotin Thierry, 1e Sgt Leroy Yannick, Korporaals Dupont Christophe, Debatty Alain, Uytebroeck Marc, Renwa Christophe, Plescia Louis, Lhoir Stéphane, Bassine Bruno en Meaux Bruno werden op een laffe manier om het leven gebracht [...] jullie mogen in geen geval jullie wapens nog afgeven."

Gevolgen van de genocide

De gevolgen van de genocide waren en zijn ingrijpend. Door de genocide ontstonden vluchtelingenstromen van Tutsi die het land uit wilden. Het FPR lanceerde een offensief in Rwanda, waarbij de Hutu-regering werd afgezet. Dit leidde ertoe dat zeer veel Hutu's, uit angst voor wraak van de Tutsi's, op de vlucht sloegen. Veel van hen, waaronder ook genocidairs, kwamen in vluchtelingenkampen in het oosten van Zaïre (de huidige Democratische Republiek Congo) terecht, waar ze onder erbarmelijke omstandigheden leefden.

Het feit dat veel moordenaars profiteerden van noodhulp in de vluchtelingenkampen leidde tot een nieuw schandaal rond de VN-acties in Centraal-Afrika. Veel NGO's die hulp hadden verleend waren verontwaardigd en de hulp in de kampen werd gestaakt, wat leidde tot een verslechtering van de leefomstandigheden aldaar.

De kampen waren ondertussen een bron van instabiliteit geworden in Oost-Zaïre, omdat Hutu's uit de kampen slaags raakte met lokale Tutsi's en Tutsi's van de FPR, die vanuit Rwanda Zaïre was binnengevallen om de genocide te vergelden. De instabiliteit in Oost-Zaïre was de oorzaak van een ander Centraal-Afrikaans conflict: de Eerste Congolese Burgeroorlog

Ook voor de achterblijvers waren de gevolgen ingrijpend. Veel mensen hadden familieleden verloren en het economische leven was tot stilstand gekomen. Inmiddels probeert Rwanda zich van de burgeroorlog te herstellen en in 1997 begon het Rwanda-tribunaal met het berechten van, voornamelijk hooggeplaatste, daders van de genocide. Ook in Rwanda zelf zitten nog ongeveer honderdduizend Hutu's in de gevangenis.

Internationale reacties

Velen zien de Rwandese genocide als een belangrijke gebeurtenis in de recente geschiedenis. Enerzijds vanwege het grote aantal slachtoffers in zo'n korte tijd, maar ook vanwege de reactie van westerse landen. Hoewel deze landen op de hoogte waren, door spionage en de media, werd er niet ingegrepen.

De Verenigde Naties weigerden UNAMIR, de VN vredesoperatie daar aanwezig, toestemming te geven om het moorden te stoppen. Ondanks meerdere waarschuwingen voorafgaande was het de VN soldaten niet toegestaan om offensieve acties te ondernemen. Zij mochten enkel hun wapens gebruiken, als zij zelf onder vuur werden genomen.

Generaal Romeo Dallaire was nog geen drie maanden in Rwanda, toen hij zijn meerdere bij de Verenigde Naties, Kofi Annan, een spoedfax stuurde. Op dinsdag 11 januari 1994 meldde de Canadese bevelhebber dat hij enorme geheime wapenvoorraden had ontdekt die door de Rwandese regering werden aangelegd. Dallaire vroeg toestemming om de magazijnen te ontmantelen, omdat hij het ergste vreesde voor de kwetsbare vrede in het Centraal-Afrikaanse land. Kofi Annan weigerde om de magazijnen te ontmantelen en 3 maanden later sloegen de tienduizenden Hutu’s met vermoedelijk die wapens aan het moorden…



Dit artikel valt onder de GNU-licentie voor vrije documentatie