Slag bij Duins

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De Slag bij Duins (31 okt. 1639 volgens de huidige tijdrekening, de Engelse - Juliaanse - kalender lag 10 dagen achter) was een zeeslag tijdens de Tachtigjarige Oorlog voor de rede van Duins (Zuidoost-Engeland) tussen de vloot van de Republiek der Verenigde Nederlanden en die van Spanje.

Inleiding

In de Republiek was bekend geworden, dat Spanje een zeer sterke vloot uitrustte, die weinig onderdeed voor de zgn. Armada (die onoverwinnelijk werd geacht maar in 1588 roemloos ten onder was gegaan), en daarom ook wel als "Tweede Armada" werd aangeduid. Onzekerheid bestond er echter over het moment van uitlopen van de vijandelijke zeemacht, en over de eigenlijke bestemming. Aangenomen werd, dat het de bedoeling was een aanzienlijke krijgsmacht naar Vlaanderen over te brengen ter versterking van het Spaanse leger, zeker nu de Republiek een verbond met Frankrijk was aangegaan om deze gemeenschappelijke vijand te bestrijden.

In verband hiermee kreeg luitenant-admiraal Tromp het bevel met een smaldeel door Het Kanaal te patrouilleren, en vice-admiraal Witte de With om zich met enkele schepen in zijn nabijheid op te houden, terwijl commandeur Joost Banckers werd opgedragen de haven van Duinkerken te blokkeren. Hiermee hielden zij zich de hele zomer bezig. Al die tijd gebeurde er niets bijzonders, behalve dat een duizendtal Spaanse soldaten, die op drie Engelse koopvaarders waren ingescheept, door hen werden gevangengenomen. Ten slotte ontdekte Tromp op 25 sept. 1639 de vijandelijke vloot bij Bevesier (Beachy Head).

De Tweede Armada

Deze zeemacht was zeer omvangrijk en stelde wat de grootte van de schepen, het geschut en het aantal opvarenden betrof alle andere vloten van die tijd in de schaduw. Zij bestond uit 67 schepen, meest van de zwaarste soort, onder de naam galjoenen bekend. Het grootste van allemaal was de Mater Teresa, gecommandeerd door de admiraal van Portugal, en 2.400 ton groot, met 68 stukken gewapend en met 1.200 zeelieden en soldaten bemand. Het totale aantal kanons, waarmee de vloot was uitgerust, bedroeg ongeveer 1.700. Er waren niet minder dan 24.000 manschappen ingescheept. Het waren echter niet allemaal zeelui of in de zeedienst ervaren soldaten, want een gedeelte was slechts kort te voren voor de krijgsdienst aangeworven. Daarentegen was een ander gedeelte samengesteld uit de keur van het Spaanse en Portugese leger. Het opperbevel werd gevoerd door admiraal Don Anthonio de Oquendo, een ervaren zeeman en dapper vlootvoogd.

Het was deze ontzagwekkende vloot, die op 25 sept. 1639 ter hoogte van Bevesier door Tromp, wiens smaldeel slechts uit 13 schepen bestond, werd waargenomen. Onmiddellijk liet hij de witte vlag waaien om de kapiteins aan boord te roepen, ten einde te overleggen wat in deze hachelijke situatie te doen stond. Hoe bedenkelijk de zaak ook was, besloten werd, alles te beproeven om de vijand schade toe te brengen. Een van de kleinste schepen werd naar vice-admiraal De With, die zich bij de zogeheten Singels van Dungeness ophield, en naar commandeur Banckers, die voor Duinkerken lag, gezonden, om deze te gelasten, zich in allerijl bij de opperbevelhebber aan te sluiten. Van zijn kant wachtte Tromp, hoe zwak ook, de Spanjaarden, die met een voordelige wind kwamen afzakken, rustig af, en loste elk half uur enkele schoten, om de Nederlandse schepen een teken te geven, waar zij hem zouden kunnen vinden. De With was de eerste die van de komst van de Spaanse vloot op de hoogte werd gesteld. Hij probeerde zich met zijn vijf schepen zo spoedig mogelijk bij Tromp te voegen, maar werd hierbij door tegenwind gehinderd. Nochtans kreeg hij op 26 sept. 's morgens vroeg Tromp in zicht, die, zodra hij De With ontdekte, naar hem toevoer.

De overweldigende Spaanse overmacht uitgedaagd

Doch nu rees andermaal de vraag, wat een smaldeel van 17 schepen tegen een vijandelijke vloot van 67 schepen kon uitrichten? Tromp aarzelde het gevecht tegen een dergelijke overmacht aan te gaan, doch De With, die van geen wijken wilde horen, wist die bezwaren spoedig uit de weg te ruimen en er werd eenstemmig besloten de vijand aan te vallen. Het duurde niet lang of het gevecht tussen de beide vloten begon. De Spaanse vloot, die nog het voordeel van de wind had, was de Nederlandse gevolgd, en drong, aangevoerd door haar opperbevelhebber, naar het Nederlandse smaldeel op, in de overtuiging het geringe aantal schepen waaruit het bestond, spoedig te kunnen vernietigen of te verdrijven. Doch De Oquendo kwam weldra bedrogen uit. Want Tromp en De With ontvingen de vijand zo agressief, dat de Spaanse vlootvoogd weldra de lust verging, de strijd langer voort te zetten, en hij met klein zeil om de noord naar de hoek van de Singels liep. Meer dan één Spaans schip, met name dat van de admiraal, had bij dit gevecht veel geleden. Aan Nederlandse zijde vloog de Groote Christoffel door eigen kruit in de lucht, en het schip van De With liep zware schade op, waardoor het kleine Nederlandse eskader nog meer verzwakt werd. Niettemin bleef men in het eens genomen besluit volharden.

Windstilte en mist verhinderden Tromp de volgende dag opnieuw de Spanjaarden, die langs de Engelse kust bleven, te bedreigen, welke pogingen hij ook aanwendde om hen te bereiken. Om 11 uur 's avonds liet de Nederlandse admiraal opnieuw het anker lichten, en hield met een zuidenwind op de vijand aan. Ten einde te voorkomen, dat zijn kleine vloot door de overmacht van de vijand uiteengedreven werd, gelastte Tromp aan zijn commandanten zo dicht mogelijk bij elkaar te blijven en dat elk schip ter herkenning, hoewel het volle maan was, een lantaren zou ontsteken, en hijzelf twee. Om één uur 's nachts begon het gevecht met een daverend kanongebulder, dat, terwijl beide vloten bij een heldere hemel en een zuidzuidoostelijke wind naar De Hoofden dreven, de gehele nacht voortduurde, en pas 's morgens om 10 uur eindigde.

Niet weinig werd de strijdlust van de Nederlanders aangewakkerd, toen zij bij het aanbreken van de dag commandeur Banckers gewaar werden, die met 12 schepen uit Duinkerken kwam opdagen. Zodra deze zich bij het smaldeel van Tromp gevoegd had, werden de Spanjaarden nog sterker dan te voren opgejaagd. Twee van hun schepen vielen in handen van de zegevierde Nederlanders, en ten slotte werd de vijandelijke vloot genoodzaakt onder dekking van het geschut van de forten van Duins de wijk te nemen. Hier deed zich een onenigheid voor tussen de Britse en Spaanse bevelhebbers over het strijken van de vlag, waarvan Tromp gebruik maakte om naar Calais over te steken en zijn schepen, die door de tweedaagse strijd door hun munitie heen waren, opnieuw van het nodige te voorzien. Met de meeste bereidwilligheid werd hij daarin door de Franse bevelhebber van die stad ondersteund.

De Spanjaarden geblokkeerd bij Duins

Door de Franse hulp was Tromp in staat reeds op 29 sept. nabij de Spanjaarden bij Duins voor anker te gaan, waar zij weldra door de Nederlandse opperbevelhebber in het zuiden, en door commandeur Banckers in het noorden geblokkeerd werden, terwijl een uitweg aan de oostkant door een zandbank werd versperd.

Zodra men in de Republiek van het gebeurde op de hoogte was gesteld, en vice-admiraal De With, die voor herstel van zijn beschadigde schip was teruggezonden, aan de Staten-Generaal had gerapporteerd hoe succesvol de confrontatie met de Spanjaarden was verlopen, werden onmiddellijk doeltreffende maatregelen genomen om Tromp alle mogelijke hulp te verlenen om de vijandelijke zeemacht in haar schuilplaats te vernietigen. Alle schepen, die beschikbaar waren, werden uitgerust voor de strijd. Dagelijks verlieten behoorlijk toegeruste schepen de vaderlandse havens, welke, door een aanhoudende oostelijke wind begunstigd, zich bij de vloot van Tromp voegden. Op deze wijze nam de scheepsmacht van de Nederlandse bevelhebber zodanig toe, dat zij binnen de tijd van nog geen vier weken tot een aantal van 96 oorlogsschepen en elf branders aangroeide.

De Britten op Spaanse hand

Dat de Spaanse vloot op een Engelse rede en onder Engels geschut toevlucht had gezocht, gaf aanleiding tot allerlei problemen. De onderdanen van de Britse vorst, die er blijkbaar evenals hun meester Spaanse sympathieën op nahielden, althans roomsgezind waren, verklaarden de Nederlandse gezant op hoge toon, niet te zullen dulden, dat de rede van Duins, of - zoals zij het noemden - 's konings kamer, misbruikt zou worden voor een gevecht, kennelijk met het oogmerk om de plannen van Tromp te verijdelen. En of deze partijdigheid nog niet duidelijk genoeg was, lieten de Engelsen 13 Spaanse schepen 's nachts ontsnappen langs een weg, die zij zelf als onbevaarbaar hadden aangeduid. Tegelijk werd een vrij aanzienlijke Britse zeemacht bij Duins samengetrokken om, zoals het heette, te waken tegen de schending van de rede, zowel door de Nederlanders als door Spanjaarden, maar welke maatregel al spoedig veeleer ter bescherming van de Spaanse vloot dan tot handhaving van 's konings gezag genomen bleek.

Dit alles was weer aanleiding tot veelvuldige onderhandelingen, die soms wel uit vrees voor oorlog met Engeland enige invloed op de Staten-Generaal uitoefenden, doch die hen evenwel niet van het oorspronkelijke besluit om de Spaanse vloot aan te vallen afbrachten; zodat na rijp beraad andermaal aan Tromp bevel werd gegeven, de vijandelijke zeemacht te vernietigen, met de toevoeging om dit te doen zonder zich iets aan te trekken van de Engelsen en tegen hen evenzeer op te treden, als ze zouden trachten dit te verhinderen.

De Armada durft de strijd niet aan

Van dit ferme besluit voorzien, nam Tromp de nodige maatregelen om de Spanjaarden aan te vallen zodra zich daartoe een gunstige gelegenheid zou voordoen, waartoe het voortdurend aangroeien van zijn vloot hem meer en meer in staat stelde. Maar verscheidene dagen werd hij belet zijn plan uit te voeren, zowel door de ongunstige weersgesteldheid als door allerlei moeilijkheden, die van de zijde van de Engelse vlootvoogd werden opgeworpen. Hij bleef evenwel voor Duins liggen, verdubbelde zijn waakzaamheid en sloot de vijandelijke vloot steeds verder in. Intussen verloor hij de voorzichtigheid niet uit het oog. Hij begreep, dat een aanval op de Spaanse zeemacht, terwijl deze voor Duins lag, onder bescherming van de Britse forten en in de nabijheid van een Engelse vloot, een hachelijke zaak was, en dat, al gelukte zijn onderneming, de gevolgen daarvan voor het vaderland bedenkelijk konden zijn. Hij wenste daarom niets liever dan dat de Spaanse vloot de rede van Duins zou verlaten en het ruime sop zou kiezen, om aldaar het pleit door het zwaard te beslissen, zonder het vaderland aan noodlottige gevolgen bloot te stellen. Tromp drong hierop derhalve menigmaal bij de Britse opperbevelhebber John Pennington aan, die maar al te graag van beide vloten verlost wilde zijn, en deze wens aan De Oquendo te kennen gaf. Doch de Spaanse vlootvoogd ging hier, hoewel zijn strijdmacht toch nog aanzienlijk sterker was, niet op in. Hij gaf voor, niet te kunnen vertrekken, alvorens een zeker aantal masten en stengen, die in Dover lagen, te hebben gekregen. Tromp liet, om deze verontschuldiging te ontzenuwen, die masten en stengen door een van zijn schepen halen en aan boord van de Spaanse admiraal brengen, maar toch verliet de Spanjaard de rede van Duins niet. Kort daarna klaagde de Spaanse opperbevelhebber over gebrek aan kruit, en beloofde zee te zullen kiezen, zodra hij daarvan voorzien zou zijn. De Engelse vlootvoogd was genegen om dit voorstel uit naam van De Oquendo aan Tromp over te brengen. De Nederlandse admiraal bracht dit zonderlinge verzoek, dat misschien wel een unicum in de geschiedenis is, in de krijgsraad, die, in de hoop eindelijk slag te kunnen leveren, er mee akkoord ging om de vijand uit eigen voorraad het verlangde buskruit te leveren. Maar ook deze klacht bleek een uitvlucht, want De Oquendo bleef na ontvangst van het gevraagde waar hij was.

De Nederlandse vloot aanzienlijk versterkt

Inmiddels naderde de dag van de waarheid. Nagenoeg alle schepen, die uit het vaderland ter versterking verwacht werden, waren bij de vloot aangekomen. Tromp telde onder zijn vlag een aantal van niet minder dan 95 oorlogsschepen en elf branders. De vloot werd in zes smaldelen verdeeld. Tromp, die het bevel van een smaldeel op zich nam, zou het centrum van de vijandelijke vloot, met name de Spaanse opperbevelhebber, aanvallen. Aan vice-admiraal Jan Evertsen, die de Portugese admiraal zou attaquerem, werd het bevel over het tweede smaldeel opgedragen. Schout-bij-nacht Catz zou over het derde, en de commandeurs Denys en Houtebeen over het vierde en vijfde het bevel voeren. Aan vice-admiraal Witte Corneliszoon de With, hoe gaarne hij anderszins aan de strijd tegen de Spanjaarden zou hebben deelgenomen, werd het bevel over het zesde smaldeel toevertrouwd, dat voorlopig paraat zou blijven om de Britse zeemacht te beletten bijstand aan de Spanjaarden te bieden, mocht zij dat van zins zijn.

Door onbestendig weer, onvoordelige wind en een ongunstig getij verliepen nog enkele dagen, alvorens de aanval kon worden gewaagd. Eindelijk brak de beslissende dag aan. In de ochtend van 31 okt. brandde de strijd los.

De strijd ontbrandt. De vernietiging van de Armada

Op de dag dat het gevecht begon draaide de wind en werd aflandig. Sedert het blokkeren van de Spaanse vloot in Duins was de wind bijna constant oost of oostelijk geweest, hetgeen niet weinig had meegewerkt om de Staatse vloot in korte tijd te kunnen versterken. In de nacht van 30 op 31 okt. liep de wind naar het noorden en werd vervolgens noordwest, wat een uiterst voordelige wind was om de vijand van de rede te verdrijven. Nauwelijks had Tromp deze gunstige verandering opgemerkt, of hij gaf het teken aan zijn scheepsbevelhebbers om zich voor de strijd gereed te maken. Een tweede sein werd gegeven en al de Nederlandse schepen gingen tegelijk onder zeil. Toch kwam deze aanval voor de Spanjaarden nog onverwacht. Een groot deel, dat door de ongeoefendheid van de bemanning niet spoedig genoeg onder zeil kwam, werd genoodzaakt het anker te kappen. Hierdoor ontstond verwarring, die nog vergroot werd, doordat de vaartuigen, dicht opeengedrongen, nauwelijks konden manoeuvreren, wat door de logheid van deze zware schepen nog werd verergerd. Hierdoor, door een opgekomen mist, en de onbekendheid met de ligging van het strand, maar vooral door het opdringen van de talrijke, snelbewegende Nederlandse vaartuigen geraakten het schip van de admiraal van Castilië en 22 andere schepen reeds bij het begin van de strijd vast aan de wal. De Britten poogden deze schepen wel door het geschut van hun forten te beschermen, maar de Nederlanders bekommerden zich daar weinig om. Zij beschoten de vastgelopen Spaanse schepen zo fanatiek, dat het merendeel van het scheepsvolk in paniek over boord sprong of zich met sloepen trachtte te redden. Tromp zond enkele branders op de vijand af, die 17 van zijn schepen in vlammen zag opgaan.

Intussen was Jan Evertsen aan het hoofd van het Zeeuwse eskader in een hevig gevecht gewikkeld met de Portugese admiraal. Door de sterke bouw van diens schip, het grootste van al de vijandelijke, waren de Nederlanders niet in staat, het met hun geschut tot overgave te dwingen, en de buitengewone hoogte en talrijke bemanning ervan schenen enteren onmogelijk te maken. De Zeeuwen lieten zich daardoor echter niet afschrikken en hielden vol, tot bleek dat men andere middelen moest beproeven. Vijf branders werden op de Teresa afgezonden, waarvan er twee zulk een uitwerking hadden, dat het schip in lichterlaaie werd gezet, en met alles wat er in was onder een verschrikkelijk gekraak in de lucht vloog. Van de 1000 man aan boord ontkwamen er nauwelijks 200; de overige verbrandden en verdronken, of werden half verzengd in de lucht geslingerd of uiteengereten.

Toch was het de opperbevelhebber van de Spaanse vloot gelukt met een gering deel van zijn grote strijdmacht Duins te verlaten en in zee te lopen. Dit werd dadelijk door de Nederlandse admiraal en het gros van zijn schepen achtervolgd. Bij het uitzeilen geraakten de admiraal van Galicië en een ander Spaans schip aan elkaar vast, waarna zij zich beide, uit vrees voor de branders, zonder verzet overgaven. Elf andere schepen werden veroverd of vernietigd; enkele, waaronder dat van de admiraal van Napels, geraakten op zandbanken of strandden op de Engelse of Franse kust. Alleen de vijandelijke vlootvoogd De Oquendo lukte het met tien of 12 van zijn schepen, onder begunstiging van mist en daarop gevolgde harde wind, aan het gevaar te ontkomen en naar Duinkerken te vluchten.

Tromp jubelend ingehaald

Het gerucht van de ondergang van de enorme Armada verspreidde zich al snel over heel Europa. Van de gehele Spaanse vloot, bestaande uit 67 schepen, wisten er zich niet meer dan 18 te redden en Duinkerken te bereiken. Meer dan 40 schepen werden door de Nederlanders veroverd, in de grond geschoten, verbrand, of vergingen; 14 Spaanse schepen werden zegevierend door hen opgebracht. Het verlies van de Spanjaarden bij deze zeeslag beliep ruim 7.000 man, waaronder 1.800 gevangenen. Daarentegen werd slechts één schip van de Nederlandse vloot vermist, en nauwelijks 100 man waren omgekomen. Geen wonder, dat men in de Republiek uiterst opgetogen was, toen men de tijding van de behaalde overwinning vernam, want de uitslag overtrof verre de verwachtingen. Maarten Harpertszoon Tromp werd als een nationale held ingehaald. Zijn reis naar 's-Gravenhage was een ware triomftocht. 's Lands overheden betoonden zich niet minder tevreden over de verrichtingen van Tromp en zijn officieren. Aan hem en aan elk van zijn voornaamste bevelhebbers werd een gouden keten met erepenning geschonken, alsmede een deel van de buit.

Sedert de luisterrijke overwinning bij Duins bevochten, werd de Staat der Verenigde Gewesten als een der machtigste, zo niet als de machtigste zeemogendheid beschouwd. Maar deze status zou in de naaste toekomst weer tot ernstige conflicten leiden.

(Naar De Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen, 1ste dl., 2de dr., 1858, herdr. 1993).