Slag bij Liegnitz
Uit Milpedia
In de Zevenjarige Oorlog kregen de Oostenrijkers in 1757 Liegnitz in Silezië in handen, dat echter al spoedig door de Pruisen werd heroverd, en op 15 aug. 1760 versloeg koning Frederik de Grote van Pruisen in de nabijheid (Pfaffendorf, Siegeshöh) de Oostenrijkers onder Laudon: de Slag bij Liegnitz. Deze wilde de Pruisen 's nachts overvallen, maar werd door Frederik, die heimelijk de hoogten tussen Katzbach en Schwarzwasser had bezet, teruggeworpen, zonder dat Daun en Lascy, die uit het westen aansnelden, het konden verhinderen.Laudon trok tussen de dorpen Bienowitz en Panthen door en was bezig een bij het eerste dorp gelegen hoogte te bezetten, toen het ratelen van in galop aangevoerde batterijen en het verschijnen van een sterke afdeling cavalerie de onverwachte nadering van Pruisen deden vermoeden. De koning liet op dat moment namelijk tien zware twaalfponders op deze hoogte in stelling brengen en zijn hele cavalerie naar Panthen oprukken. Eer Laudon tijd had, zijn troepen tegen deze uit het niets te voorschijn gekomen vijand op te stellen, kwam een moordende kartetshagel op de Oostenrijkers neer. Maar hij verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet. Hij zag, dat er geen tijd meer was om terug te trekken, want in de ochtendschemering ontdekte hij het leger van de koning, dat hij gehoopt had te kunnen verrassen als het nog in een diepe sluimering gedompeld was, en dat nu in volle slagorde op de heuvels voor hem stond. Hij verwachtte evenwel, dat Daun niet zou aarzelen, de koning op zijn beurt aan te vallen, zodra hij het kamp van deze verlaten had aangetroffen en het kanongebulder had gehoord. Zolang moest hij zien stand te houden.
Hij bezette met een sterke strijdmacht het dorp Panthen, voor de Pruisische cavalerie tijd had, zulks te doen, en liet verscheidene regimenten de hoogte van Bienowitz bestormen. De Pruisische infanterie viel ze echter zo onstuimig aan, dat ze teruggeslagen werden naar de colonne die volgde en deze in verwarring brachten. Een tweede Oostenrijkse aanval, die door de cavalerie en enkele veldbatterijen ondersteund werd, volgde al snel. Ondanks onafgebroken kanon- en geweervuur rukte de Oostenrijkse infanterie voorwaarts, maar werd door de Pruisen wederom gedwongen terug te trekken. Niet veel beter verging het de cavalerie, die weliswaar aanvankelijk enige terreinwinst boekte, doch plotseling door Pruisische kurassiers in de flank werd aangevallen en de moerassen bij Schönborn ingedreven werd.
Daarna trachtte Laudon om de Pruisische aanvalslinie heen te trekken en trok daartoe langzaam naar rechts. Daar Frederik zijn troepen dezelfde beweging liet maken, werd dit plan verijdeld en Laudon gaf nu het sein voor een algehele aanval. De infanterie stormde Panthen uit en stortte zich met zulk een heftigheid op de Pruisen, dat de eigen linies in wanorde geraakten. De Pruisische cavalerie maakte daar dankbaar gebruik van en sloeg zo verbeten op de Oostenrijkse colonne in, dat deze uiteenviel en de regimenten "Stahremberg" en "Waldeck" bijna geheel te gronde gingen.
De vijandelijke ruiterij was intussen op haar beurt op het Pruisische voetvolk ingereden en probeerde van alles, om het tij weer ten gunste van de Oostenrijkers te doen keren. De Pruisische regimenten "Ferdinand" en "Bernburg" toonden zich nochtans onverzettelijk zodat ook hier chaos in de vijandelijke gelederen uitbrak en de vijand over de Katzbach begon terug te trekken.
De slag was beslist; slechts het dorp Panthen was nog in bezit van de Oostenrijkers, die nog steeds hoopten op de komst van Daun en zich daar schenen te willen handhaven. Frederik liet het echter door granaten in brand schieten en toen de vijand daarop het dorp verliet, werd deze door twee divisies van de garde aangevallen en gedwongen, in allerijl het veld te ruimen.
Even over vijven, dus na een strijd die slechts twee uur had geduurd, was alles voorbij en trokken de Oostenrijkers na een verlies van 82 kanonnen, 23 vaandels en bijna 10.000 man aan doden en gewonden zich definitief terug. De koning was desondanks, hoewel hij slechts 1.800 man aan doden en gewonden verloren had, niet, zoals hij gehoopt had, in staat van deze klinkende overwinning te profiteren, want elk ogenblik kon Daun met zijn leger op het strijdtoneel verschijnen en door zijn overmacht het door de Pruisen verkregen succes weer ongedaan maken.
De veldmaarschalk had deze nacht met tegenslag te kampen gehad, wat er de schuld van was, dat hij Laudon niet had kunnen ondersteunen. Hij had eerst volgens plan de rechtervleugel van het Pruisische bivak willen aanvallen en was daartoe 's nachts met vijf colonnes naar de Katzbach opgerukt. Maar eerst had men de pech te verdwalen, en kon daarna geen geschikt punt vinden om de stroom over te steken en toen dit eindelijk gelukt was en Daun bij het vroegere Pruisische onderkomen was gearriveerd, vond hij dit natuurlijk verlaten en kon eerst niet begrijpen, waar de koning met zijn leger naartoe was gegaan. Pas hiervandaan, tegen een uur of vijf, verried hem een in de verte opstijgende sterke rook, dat Laudon met de Pruisen in gevecht was. Omdat hij niet wist, dat de slag al bijna beslist was, keerde hij onmiddellijk om en hoopte de koning nog op tijd in de rug te kunnen aanvallen. Doch ook deze hoop werd verijdeld, want toen hij bij het Schwarzwasser was aangekomen, bleek het oversteken daarvan door de drassige oevers een zware opgave. Een deel van de cavalerie, die naar de overkant zwom, werd door de huzaren van Zieten weinig gastvrij ontvangen en bovendien door de batterijen van de Pruisische rechtervleugel zo effectief beschoten, dat ze al snel weer terugkeerde. Daarop trok Daun, uiterst bezorgd over het lot van Laudon, door Liegnitz en stelde zich op de heuvels bij Lindenbusch en Weissenhof op. Hier trof hij een ijlbode van Laudon met de boodschap dat de slag verloren was gegaan, waarop hij op zijn beurt terugkeerde naar zijn vroegere stelling.
De koning, die geen tijd mocht verliezen, maakte onmiddellijk aanstalten, het veroverde geschut, de gevangenen en gewonden mee te nemen, omdat hij voor de vijand niets van de veroverde buit wilde achterlaten en zich zo snel mogelijk bij prins Heinrich wilde aansluiten. Aangezien hij vreesde, dat Daun naar de omgeving van Neumarkt zou trekken en zich bij het Russische korps van Tsjernysjow zou voegen om hem zo nogmaals de weg naar Breslau te versperren, marcheerde hij meteen na het einde van de slag met 6 bataljons en 5 cavalerieregimenten naar Parchwitz, stak hier de Katzbach over en betrok op de hoogten daar een sterke stelling.
Een klein Oostenrijks korps bij Parchwitz trok zich op het zien van de Pruisen snel terug, maar Tsjernysjow was nog in de buurt van Auras op de linkeroever van de Oder en dreigde door zijn positie de koning opnieuw ondanks de zojuist bevochten zege in een gevaarlijke situatie te brengen, want het was voor Tsjernysjow eenvoudig geweest, Frederik net zo lang op te houden, tot Daun en Laudon, die eveneens naar Breslau trokken, waren gearriveerd. Dan moest het vermoeide leger van de Pruisen, dat gebrek aan levensmiddelen had en de last droeg van duizenden gewonden en gevangenen, nogmaals een veldslag winnen om zich een weg naar de Silezische hoofdstad te banen, en daar was tegen zulk een geweldige overmacht niet veel kans op.
Een goeddoordachte list bevrijdde de koning van Tsjernysjow. Hij zorgde er namelijk voor, dat een brief, waarin hij prins Heinrich schreef over de slag bij Liegnitz en zijn voornemen, de Russen onmiddellijk aan te vallen, in handen van Tsjernysjow kwam. Deze, die zonder hulp van Daun een treffen met de koning wilde vermijden uit angst afgesneden te worden van de hoofdmacht van Saltykow deed, wat Frederik gehoopt had: hij trok zich achter de Oder terug en gaf de Pruisen vrij baan. Deze konden nu onbevreesd tot 18 aug. bij Neumarkt blijven en de vijanden, die al hun plannen in duigen zagen vallen, trokken zich, zonder verder nog iets te ondernemen, terug; de Russen naar Militsch aan de grens van Posen, Daun en Laudon naar het gebergte tussen Schweidnitz en Striegau. De koning ten slotte ging, nadat hij zich bij prins Heinrich had aangesloten en generaal Goltz opdracht had gegeven zicht te houden op de Russische troepenbewegingen, naar Breslau.
Lit.: Grosser Generalstab (red.): Die Kriege Friedrichs des Grossen, dl. 3.12 (1913); John, R.: Die Geschichte des Siebenjährigen Krieges (1852).
