Stalin

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Stalin in 1936
Jozef Stalin, oorspronkelijke naam: Iosif Vissarionovitsj Dzjoegasjvili, (Gori (Georgië), 18 december 1878 of 21 december 1879 - Koentsevo, 5 maart 1953) was de tweede leider van de Sovjet-Unie, van 1928 tot zijn dood. Het dictatoriale regime van Stalin kostte miljoenen mensen het leven.


Levensloop

Vroege jaren

Stalin, zoon van een schoenmaker, bezocht het seminarie in Tiflis, maar verliet deze opleiding voortijdig door contacten in revolutionaire kringen. In 1903 sloot hij zich aan bij de Bolsjewieken van Lenin. Vanwege zijn revolutionaire gezindheid verbleef hij geruime tijd in het buitenland, keerde in 1912 naar Rusland terug, maar werd weldra gearresteerd en naar Siberië verbannen, tot hij door de Februarirevolutie van 1917 op vrije voeten kwam en zich in St. Petersburg vestigde. Na de Oktoberrevolutie van dat jaar, die de Bolsjewieken aan de macht bracht, werd Stalin benoemd tot volkscommissaris (minister) van Nationaliteiten. Gedurende de Russische Burgeroorlog (1918-1921) vervulde hij zijn dienstplicht en trad hij op als militair organisator en politiek commissaris in het Rode Leger. Hij wist tijdens de Burgeroorlog als commandant van Tsaritsyn (later Stalingrad, nu Volgograd) deze stad met succes tegen de aanvallen van de tegenstanders van het Rode Leger, het Witte Leger, te verdedigen. Lenin haalde Stalin terug naar Moskou.

Secretaris-generaal

In maart 1919 werd Stalin als één van de vijf leden in het zojuist opgerichte politbureau van de Russische Communistische Partij gekozen. Toen Lenin besloot zich meer toe te leggen op het landsbestuur, werd Stalin in april 1922 secretaris-generaal van de partij, welke functie al spoedig zou uitgroeien tot het belangrijkste en machtigste ambt in de Sovjet-Unie. Stalin wist geleidelijk aan zijn macht te consolideren. Als secretaris-generaal had hij de bevoegdheid mensen binnen de Partij posities te geven of te ontnemen.

Machtsstrijd

Na de dood van Lenin in 1924 wist Stalin na een machtsstrijd (met als belangrijkste tegenstrever Leon Trotski) zich van de macht in partij en staat meester te maken (1928) en hield die vervolgens vijfentwintig jaar in handen. In 1929 voerde hij collectivisering van de landbouw en planeconomie in.

De planeconomie versnelde het proces van industrialisatie. In snel tempo ontwikkelde de industrie zich tot een niveau waarop zij zich kon meten met die van het westen. Dit resultaat werd grotendeels bereikt door de massale inzet van dwangarbeiders en gedwongen volksverhuizingen, die al in 1920 waren begonnen en tot 1950 zouden doorgaan.

De collectivisering van de landbouw, die werd doorgevoerd om het nieuwe leger van industrie-arbeiders te voeden, was echter minder succesvol. In de beginfase lieten veel boeren hun vee massaal slachten, zodat het geen staatseigendom kon worden. Door de collectivisering kwamen kolchozen (collectieve boerengemeenschappen) en sovchozen (staatsboerderijen) tot stand. De rijkere zelfstandige boeren, door de Sovjetpropaganda ten onrechte koelakken genoemd, die vaak in hoog aanzien stonden in traditionele gemeenschappen, werden vermoord of opgepakt en weggevoerd naar werkkampen (goelag) of gevangenissen.

De Grote Zuivering

De moord op Sergej Kirov (1934) luidde het begin van 'De Grote Zuivering' in: Stalins meedogenloze heksenjacht op voormalige oppositieleiders binnen de partij, geestelijken, intellectuelen, kunstenaars, trotskisten (aanhangers van Trotski), maar ook op gewone burgers. Bijna de halve legerleiding, waaronder de maarschalk Michail Toechatsjevski, werd terechtgesteld. De goelags zaten overvol.

Reeds sinds 1929 werden de kerken meedogenloos vervolgd. Stalin, zelf een voormalig seminarist, had zich in zijn privé-uitspraken echter nooit kleinerend uitgelaten over de kerk, maar omdat hij zich alleenheerser achtte, duldde hij geen God naast zich. Het marxisme-leninisme gaf hem de theoretische basis om de godsdienst in het algemeen te vervolgen. In de tussentijd kwam het stalinisme van de grond. Het stalinisme was een mengeling van orthodox marxisme-leninisme, burgerlijke moraliteit, en verering van de Leider (Stalin). Belangrijk onderdeel van het stalinisme was ook het socialistisch realisme. Deze kunstvorm maakte een einde aan kunstzinnige experimenten. Kunst moest begrijpelijk, realistisch zijn.

In 1936 kreeg de Sovjet-Unie een nieuwe grondwet. In deze volgde een opsomming van de traditionele burgerlijke vrijheden, zoals vrijheid van meningsuiting, vereniging en godsdienst. De verkiezingen van dat jaar brachten een overwinning met zich mee voor de stalinistische kandidaten. Hoewel partijvorming volgens de grondwet was toegestaan, deed alleen de CPSU (Communistische Partij van de Sovjet-Unie) aan de verkiezingen mee.

Tweede Wereldoorlog

In 1939 verving Stalin minister van Buitenlandse Zaken Maksim Litvinov door Vjatsjeslavj Molotov, die tevens sinds 1930 premier van USSR was. Litvinov, een Jood, probeerde als minister toenadering te zoeken tot het Westen om een blok te vormen tegen het nationaalsocialisme in Duitsland en het fascisme in Italië. Toen dit mislukte zorgde Stalin voor een verrassende wending. Op verzoek van Duitsland kwam het Molotov-Ribbentroppact (een wederzijds niet-aanvalsverdrag) tot stand. Na de Duitse inval in Polen in september 1939, viel overeenkomstig de geheime afspraken van het Molotov-Ribbentroppact de Sovjet-Unie op haar beurt Oost-Polen binnen. De Duitsers kregen West-Polen, de USSR Oost-Polen (oktober 1939) wat overeenkwam met het Poolse deel dat vóór de Eerste Wereldoorlog ruim een eeuw tot het toenmalige Rusland had behoord. Stalin gaf vervolgens in 1940 opdracht om vele duizenden Poolse krijgsgevangen en intellectuelen te vermoorden, onder andere bij de massaslachting van Katyn.

De troepensamentrekkingen van de Duitsers bij de grens met de Sovjet-Unie, en verontrustende berichten van Sovjetdiplomaten over een ophanden zijnde aanval, maakten Stalin weliswaar bezorgd, maar hij vreesde het slachtoffer te worden van een Brits complot en bleef tegen beter weten in hopen dat een oorlog zou uitblijven. Op 22 juni 1941 viel Duitsland de Sovjet-Unie binnen (Operatie Barbarossa).

De oorlog die daarop volgde wordt de Grote Vaderlandse Oorlog genoemd en kostte ongeveer 20 miljoen Russen (soldaten en burgers) het leven. Na de Duitse capitulatie (9 mei 1945) werd Stalin bewierookt als de Grote Leider die de Grote Vaderlandse Oorlog had gewonnen.

De laatste jaren

Kort na de oorlog werden de teugels in eigen land weer strak aangetrokken. De terreur keerde terug en de Sovjetkrijgsgevangenen die uit de Duitse kampen terugkeerden werden veroordeeld tot dwangarbeid in Siberië wegens "lafheid". De strafkampen liepen weer vol. Een van de redenen kan zijn dat Stalin vreesde dat oorlogshelden als Georgi Zjoekow populairder zouden worden dan hijzelf. Ondertussen gaf Stalin opdracht tot het uitbreiden van het Russische atoomprogramma, wat in 1949 leidde tot de test met de eerste Russische atoombom.

In 1948 was in Tsjecho-Slowakije als laatste een communistische regering aan de macht gekomen. De Geallieerden sloeg de schrik om het hart. In het oosten bezette hij Turkestan en Mantsjoerije dat hij op Japan had veroverd tijdens Operatie Augustusstorm, tot groot ongenoegen van Mao Zedong. Na besprekingen met de Chinese leider trok Stalin zijn troepen terug uit die gebieden. In 1952 schreef hij de veel bediscussieerde Stalin-nota, waarin hij een neutraal en verenigd Duitsland voorstelde.

Vlak voor zijn overlijden trachtte Stalin de oude garde stalinisten, zoals Molotov, Vorosjilov en Beria uit de weg te ruimen, doch zijn overlijden op 5 maart 1953 voorkwam dat.

Overlijden

Op 5 maart 1953 overleed Stalin in zijn huis in Koentsevo Het is nooit duidelijk geworden onder welke omstandigheden hij is gestorven. De officiële verklaring noemde een hersenbloeding als doodsoorzaak. Na de dood van Stalin werd er drie dagen afscheid van hem genomen. Stalin werd met grote pracht en praal bijgezet in het mausoleum van het Kremlin van Moskou naast het lichaam van Lenin.

Tijdens het 20ste partijcongres drie jaar later hekelde partijleider Nikita Chroestsjov Stalins persoon en optreden openlijk. Dit leidde de periode van destalinisatie in. Zijn stoffelijke resten werden in 1961 gecremeerd en de urn met zijn as op een bescheiden plaatsje in de muur van het Kremlin bijgezet.

Wie afbeeldingen van Stalin ziet zou kunnen denken dat hij een goed gebouwde, forse, niet onknappe man was. Maar in feite was Stalin een kleine, enigszins vervette baas, die zich schaamde voor zijn geringe postuur. Wie groter was dan hij hield het nooit lang bij hem uit. Bovendien geneerde hij zich voor zijn pokdalige uiterlijk, waarvan op de geretoucheerde foto's die er van hem in omloop werden gebracht natuurlijk niets te zien was.



Dit artikel valt onder de GNU-licentie voor vrije documentatie