Tank

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Belgische Leopard 1 tank

Een tank is een militair gevechtsvoertuig dat rond drie eigenschappen is opgebouwd: bepantsering, mobiliteit en directe vuurkracht. De tank wordt aangedreven via een rupsonderstel en heeft een 360° draaibare gevechtstoren. Hij moet daarom ook onderscheiden worden van gemechaniseerd geschut (JPK, Sturmgeschütz), gemechaniseerde artillerie (M110, PzH 2000) en het infanteriegevechtsvoertuig (M113, AIFV) op rupsen.

Andere uitdrukkingen: Panzer (D), char (F), carro armato (IT), tanque (ESP), stridsvagn (SE, DK), czołg (PL), танк (RUS)...

Inhoud

Geschiedenis

Belgische auto-mitrailleuse van Minerva

Reeds eeuwen voor de Eerste Wereldoorlog waren militaire specialisten zich terdege bewust geweest van de voordelen, die de combinatie bepantsering, vuurkracht en mobiliteit biedt. Dat bewijzen de ideeën van Leonardo Da Vinci en later de Italiaan Balbi, die een soort pantservoertuig op wielen, aangedreven door een stoommachine ontwierp. Het grootste probleem bleef tot dan altijd de mobiliteit: hoe zwaarder het kanon en de bepantsering, hoe moeilijker men met de toenmalige aandrijfmiddelen vooruitkwam.

De uitvinding van de benzinemotor bracht daar verandering in. Reeds voor de Eerste Wereldoorlog experimenteerden verschillende constructeurs in verschillende landen met gepantserde voertuigen. Het wereldwijd eerste gepantserde wielvoertuig werd in Wenen door Paul Daimler gebouwd. De firma Austro-Daimler ontwikkelde in een drie jaar durende geheime ontwikkelingsfase het eerste gepantserde voertuig. Dit werd 1906 aan het publiek voorgesteld.

Het eerste voertuig met een rups was de civiele tractor van de firma Holt-Caterpillar, die vorderingen op oneffen terrein beduidend makkelijker maakte.

Eerste Wereldoorlog

Engelse Mk IV-tank in Cambrai

In een bewegingsoorlog op straten en verharde wegen bleken pantserwagens zeer nuttig te zijn. België zette toen de Automitrailleuse van Minerva in. Het Belgisch leger stuurde tijdens de beginjaren van de oorlog haar pantserwagenkorps naar Rusland (heruitgerust met Peugeots en Mors) waar zij nauw samenwerkten met cavalerieregimenten en geregeld op de dagorder van het Russisch leger vermeld werden. Dit expeditiekorps Corps des Auto-Canons Mitrailleurs bestond uit verschillende eenheden pantserwagens (uitgerust met mitrailleurs en/of lichte kanonnen), een eenheid fietsers en de nodige logistieke vrachtwagens en motorfietsen.

Toen vanaf de herfst van 1914 de bewegingsoorlog veranderde in een stellingenoorlog (van Nieuwpoort tot aan de Zwitserse grens), zocht men naar nieuwe methodes om het rigide vijandelijke front te kunnen doorbreken. De Britse majoor Ernest D. Swinton kwam op het idee om gepantserde rupstractoren van het Holt-type eveneens gepantserde sledes vol soldaten over de vijandelijke loopgraven heen te laten trekken.

De eerste tanks van het type Mark I kregen de Engelse codenaam ‘tank’, waarmee men waterreservoirs bedoelde. Deze naam moest de Duitse spionagediensten misleiden en het bestaan van deze monsters zo lang mogelijk geheim houden. De uitdrukking is tot heden in gebruik gebleven in het Engelse en ook Nederlandse taalgebied.

De eerste aanval met tanks vond plaats op 15 september 1916 op het slagveld aan de Somme door het Britse 4de leger. Op 20 november 1917 viel het Britse leger in Cambrai met een (voor toenmalige verhoudingen) formidabele gevechtsmacht van 375 tanks de Duitse stellingen aan. De tanks braken vrij makkelijk door de 'Hindenburg-linie', wat echter door de kwetsbare cavalerie niet uitgebuit werd. De concurrentie tussen paard en tank werd er alleen maar groter door.

De tanks van W.O.I haalden meestal slechts snelheden van 8 km/h (Renault FT-17) of 12 km/h (Saint-Chamond). Ze waren zeer kwetsbaar voor vlammenwerpers en veldgeschut. Hun hoofddoel was de begeleiding van de infanterie naar de vijandelijke stellingen en het doorbreken van de prikkeldraadversperringen. Technische onvolmaaktheden, te diepe modder en granaattrechters brachten snel de tekortkomingen van deze eerste tanks aan het licht.

Het Duitse leger hechtte minder belang aan dit nieuwe wapen. Heel wat Britse en Franse tanks werden veroverd en gebruikt tegen hun uitvinders. De A7V was op het einde van W.O.I de enige valabele Duitse poging om een eigen tank te ontwikkelen.

Het interbellum

Belgische T-13 type III net voor de Tweede Wereldoorlog

In de jaren twintig was iedereen het erover eens dat de tank het wapen van de toekomst was, maar over hoe men hem ging gebruiken, daarover waren de meningen nogal verdeeld. Vooral in Engeland speelde men lang met het idee om verschillende tanktypes voor verschillende opdrachten in te zetten. Het Britse Tank Corps kreeg daarbij hevige tegenstand van conservatieve krachten in de infanterie en cavalerie, die hun tradities niet wilden opgeven voor deze nieuwe machines. Vaak kwamen de infanterie en de cavalerie met eigen oplossingen, wat resulteerde in totaal verschillende tankontwerpen en tactische concepten. De cavalerie ontwierp lichte, snelle tanktypes, zoals de Vickers-Carden-Loyd. De infanterie bedacht een ondersteunende rol voor de tank, en had meer oor naar zware, trage tanks die de pas van de voetsoldaten konden volgen.

Ook in België speelde zich een soortgelijke discussie af. Hier ontstond het 'Korps Gevechtstanks' met de Renault FT-17, dat later ombenoemd werd tot 'Regiment strijdwagens', maar snel wegkwijnde wegens desinteresse. Pas in de jaren 30 kocht men verschillende voertuigen van Franse en Engelse origine aan voor de mechanisatie van de cavalerie-eenheden. De T-15 en T-13 waren eerder zelfdragend geschut op Vickers-Carden-Loyd-basis dan tanks. De AMC-34 en AMC-35 waren Renault-voertuigen met FRC 47mm-kanon. De variant ACG-1 met Belgische APX-2B toren was de enige min of meer volwaardige 'tank', maar werd door de pacifistische politiek van het interbellum als te agressief bevonden en buiten dienst gesteld.

Tot dan toe weigerden de legers in haast alle Europese landen om de tank een eigen, zelfstandige rol toe te bedelen. Uiteindelijk was het ditmaal Duitsland dat voor het eerst de ontwikkeling van een zelfstandig tankwapen realiseerde. Dat officieren als Guderian en Manstein de kans kregen om de mogelijkheden van de tank ten volle te bestuderen, had natuurlijk veel met het nieuwe regime te maken. Volgens het Verdrag van Versailles was het Duitsland immers verboden om tanks te produceren, maar de Duitsers lapten dit aan de laars. In het geheim werden nieuwe tankmodellen uitvoerig getest, o.a. in Rusland. De Duitsers ontwikkelden op die manier de 'Landwirtschaftlicher Schlepper', die later als Panzerkampfwagen (PzKpfW I) bekend zou worden.

Guderian en andere Duitse tankofficieren experimenteerden met wat ooit een tankdivisie (Duits: Panzerdivision) zou worden, waarbij de tank in tegenstelling tot vroeger geen ondersteunende rol, maar de hoofdrol kreeg toebedeeld. In deze tankdivisies moesten de infanterie, artillerie, genie en logistieke middelen de snelheid van de tank kunnen volgen, en niet omgekeerd. De mechanisatie van deze eenheden werd een onomkeerbaar feit.

Tweede Wereldoorlog

Met de Duitse inval in Polen werd op 1 september 1939 duidelijk wat hun geheime werk had opgebracht. De Duitse tactiek bestond erin de tanks geconcentreerd als een wig en op verschillende plaatsen het vijandelijke front te doen doorbreken en de vijandelijke troepen te omsingelen. Het was aan de artillerie en infanterie om de verblijvende tegenstand in de 'Kessel' op te ruimen. Een nieuwe, erg belangrijke rol werd opgeëist door de Luftwaffe, die de tankformaties erg snel en efficiënt kon helpen bij moeilijke weerstandshaarden. De samenwerking tussen tank en vliegtuig kreeg vorm en droeg bij tot het ontstaan van de naam 'Blitzkrieg'.

Op die manier maakten ook België, Nederland en Frankrijk kennis met de dodelijke nieuwe tactiek. Bij de doortocht van de ondoordringbaar geachte Ardennen dook hier ook Erwin Rommel voor het eerst op als briljant tankstrateeg. Na de zogenoemde Achttiendaagse Veldtocht besloot Leopold III tot de capitulatie van het Belgische leger. De Belgische tanks, zoals ook de Franse collega's, deden wat mogelijk was, maar waren nu eenmaal volgens de oude doctrine verdeeld over de infanterie- en cavalerie-eenheden en konden geen echte vuist maken tegen de pantserdivisies met hun sterke concentraties aan PzKpfW I, II en III.

Hoe het verder is gegaan in de Tweede Wereldoorlog is algemeen bekend door de heroïek verbonden aan de tankgevechten, ja aan hele tankslagen zoals bij Koersk, in de woestijn van Noord-Afrika en tijdens het Ardennen-offensief. Tanknamen als T-34, Panther, Tiger, Sherman en na de oorlog Centurion, Leopard en Abrams spreken alom tot de verbeelding. Hoewel de tank nog een belangrijke rol vervulde in de oorlogen tussen Israel en de Arabieren en in recente oorlogen zoals de Golfoorlog en de oorlog in Irak heeft het tankwapen door het beëindigen van de Koude Oorlog en de ontwikkeling van meer geavanceerde strijdmiddelen echter sterk aan betekenis ingeboet.



Dit artikel valt onder de GNU-licentie voor vrije documentatie
Persoonlijke instellingen