Tsjetsjeense opstand

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De Tsjetsjenen zijn een Kaukasisch volk, (ca. 1900) 243.400, (1926) 393.000, (ca. 1960) 524.000 zielen tellend; de hoofdstad Grosny had in 1986 399.000 inwoners. Het bestaat uit de eigenlijke Tsjetsjenen, de Bergtsjetsjenen en de Ingoezjen. Het zijn Soennitische Moslims, die zo’n 250 jaar geleden tot de islam zijn overgegaan, maar niet alle Kaukasische volken zijn Moslims. Zo bekennen bijv. de Georgiërs en de Armeniërs in Trans-Kaukasië zich tot het christendom.

Voorgeschiedenis

De Tsjetsjenen hebben lang hun onafhankelijkheid weten te bewaren maar werden in 1818 door de Russen onderworpen. Ze bevrijdden zich echter in 1848, en sloten zich bij Sjamil aan, voluit Ben Mohammed Sjamil Effendi [1797-1871], imam van Dagestan in de oostelijke Kaukasus, sedert 1835 leider van het Muridisme, een sekte van islamitische fanatici, die “ongelovigen” met de dood bedreigde en de onafhankelijkheid nastreefde van de mohammedaanse bergvolken van de Kaukasus. Ten slotte werd Tsjetsjenië in 1877 weer bezet.

Kaukasus (uit Baedekers "Russland", ed. 1912)
In 1770 betraden de eerste Russen de Kaukasus. De tussen Rusland en Turkije ontbrande oorlog bracht Rusland door de Vrede van Küčük-Kainardža (1 juli 1774) in het bezit van de Kuban-Tereklinie. In 1785 werd uit de gebieden rond Jekaterinograd, Mosdok, Alexandrow en Stawropol het Kaukasische stadhouderschap gevormd. 1796 kwamen de plaatsen Derbent, Kuba en Baku onder Russische heerschappij. Terwijl reeds in 1783 de onder Perzisch gezag staande christelijke vorst Iraklis II van Georgië Russisch vazal was geworden, viel onder diens opvolger, George XIII, Georgië aan Rusland toe en werd 1801 een Russisch gouvernement. In 1802 verwierven de Russen Ossetië, 1803 Lesghië (Dagestan); in de strijd met de Perzen (1804-13) verloren de laatsten bij de Vrede van Gulistan (24 okt. 1813) het grootste deel van hun Kaukasische bezittingen: de chanaten Gandsja, Sjirwan, Talisj en Karabagh, terwijl 1804 reeds Mingrelië en 1810 Imeretië onder Russische heerschappij waren gekomen.

Bijna geheel Transkaukasië was Russisch gebied geworden; nog niet onderworpen waren echter de Gorzen (bergvolken, van het Russische Kavkáskije Górzy = Kaukasische volken) met wie de strijd eerst 1816 door de Russische generaal Jermolow werd aangebonden. Het kwam erop aan, die zo mogelijk te isoleren. Hiertoe legde men een keten kleine, met Kozakken bezette vestingen aan tussen Kaspische en Zwarte Zee. De “Kaukasische Linie” liep vanaf de monding van de Laba stroomopwaarts langs de Kuban, langs de Malka tot aan de Terek en deze af tot aan Kisljar; de “Zwarte Zeelinie” liep van de Zwarte Zee langs de Kuban tot aan de monding van de Laba en vervolgens langs de Laba stroomopwaarts. 1817 werd hier de vesting Grosnaja (= Grosny, “de dreigende”), 1819 Wnesapnaja aangelegd. Door deze linies werd enerzijds de verbinding tussen Cis- en Trans-Kaukasië tot stand gebracht en werden anderzijds de bergvolken geïsoleerd.

In 1826 hervatte Perzië de oorlog met Rusland om zijn Kaukasische bezittingen te heroveren, echter vergeefs, want het moest bij de Vrede van Turkmantsjai (23 febr. 1828) Eriwan en Nachitsjewan aan Rusland afstaan. Na de Russisch-Turkse oorlogen van 1828 en 1829 verwierf Rusland bij de Vrede van Adrianopel (14 sept. 1829) het gebied van Achalzych, alsmede de vestingen Anapa en Poti.

Nu ontstond echter voor de Russen een nieuwe, gevaarlijker vijand in de vorm van de door de Mullah Mohamed gepredikte Leer van het Murisdisme (zie boven), welke fundamentalistische sekte sedert 1835 werd aangevoerd door Sjamil. Eerst 1839 begonnen de Russen serieus tegen de bergvolken op te treden. Er werden drie colonnes onder de luitenant-generaals Rajewskij, Golowin en Grabbe geformeerd. De laatste zou van Wnesapnaja uit optrekken tegen het noorden van Dagestan, waar Sjamil zich had verschanst. Op 5 juni stuitte men op Sjamil, die ca. 5000 strijders rond zich verzameld had, en versloeg hem bij het dorp Burtunai. Sjamil trok naar Arghuan en plaatste zich met 6000 Lesghiërs tegenover de Russen. Ondanks de bijna ontoegankelijke ligging van dit dorp bestormden de Russen het op 13 juni; Sjamil vluchtte naar zijn rotsvesting Achulko aan de Koisoe. Eerst 3 sept. werd deze vesting door de Russen ingenomen. Sjamil ontkwam en vluchtte naar Weden (Tsjetsjenië), maar toch was het Muridisme nog niet vernietigd.

Grabbe had zijn troepen op Temir-Chan-Sjoera en Wnesapnaja teruggetrokken; na korte tijd kwam de hele oostelijke Kaukasus weer in opstand, zodat de Russen hier jarenlang geen blijvende resultaten konden boeken. 1843 veroverde Sjamil Awarië en het land aan de Koisoe alsmede negen Russische forten, zodat de Russen in Dagestan alleen Nisowoje en Temir-Chan-Sjoera overhielden.

Het Kaukasische korps nam in 1844 door de toewijzing van het hele 5de legerkorps met 40.000 man toe. Toch verloor prins Woronzow in 1844 verscheidene steunpunten aan de Muriden en slaagde er niet in om het hoofdkwartier van Sjamil, de vesting Dargo, in te nemen. De Krimoorlog van 1853-56 deed de moeilijkheden van de Russen nog toenemen. Na de beëindiging daarvan nam prins Barjatinskij het opperbevel in de Kaukasus over.

In aug. 1856 werden 5 militaire commandoafdelingen in het leven geroepen. De hoofdmacht van de Russen werd in de oostelijke Kaukasus verzameld. Vanuit het zuiden en oosten drongen Russische colonnes onder generaal Jewdokimow en prins Orbeliani binnen, onderwierpen in 1857 de Grote Tsjetsjnja en Kachetië, namen 1858 de Argoenpas in en bouwden daar, aan de hoofdingang van het bergland, de vesting Argoenskoje. In juni rukten drie Russische colonnes verder op, terwijl Sjamil zich op Wladikawkas (ten tijde van de Sowjet-Unie sinds 1931 Ordzonikidze geheten) richtte en probeerde de centrale Kaukasus in opstand te brengen. Maar hij werd door generaal Misjtsjenko teruggedreven; generaal Jewdokimow veroverde ondertussen Warandi en Sjatoi, waarop de Tsjetsjenen, op een kleine minderheid na, Sjamil in de steek lieten.

Begin 1859 verenigden zich drie Russische colonnes onder Jewdokimow bij de Bassrivier, bestormden de versterkte stelling bij Tausen en begonnen 29 maart met de belegering van de door Sjamils zoon verdedigde vesting Weden, die op 13 april door generaal Jewdokimow stormenderhand werd ingenomen. Sjamil restte nu nog alleen Dagestan. Hij had zich in een vrijwel onneembare stelling verschanst aan de Koisoe, waar hij echter door prins Barjatinskij werd verslagen. De berg Gunib was zijn laatste toevluchtsoord; op 6 sept. gaf Sjamil zich hier over. Het oosten van de Kaukasus lag nu aan de voeten van Rusland, men kon zich nu op het westen richten. De operaties (voorjaar 1864-65) eindigden daar met de onderwerping van de Tsjerkessen.

Alhoewel de Russische heerschappij in de Kaukasus vanaf dat moment buiten kijf stond, was de geringste aanleiding voldoende het onafhankelijkheidsgevoel van de Kaukasische volken te doen herleven. Zulk een aanleiding bood de Russisch-Turkse oorlog van 1877 tot 1878. Voor Turkse agitatoren was het niet moeilijk onrust te stoken onder de Tsjetsjenen, in Abchasië en in Dagestan, wier verzet door landingspogingen van de Turken tot een hels vuur oplaaide. Slechts door het bezetten van de uit Abchasië naar de Tsjetsjeense dorpen leidende bergpassen lukte het de Russen, een algehele opstand van de bergvolken te voorkomen. Tegen de onder Taski Pasja binnengedrongen 14.000 man moesten de Russen troepen uit het binnenland inzetten. Op 27 juni 1877 werden Turken en Abchasiërs bij Asjanodsjir verslagen, op 30 juni het hoofdkwartier van de opstandelingen, het dorp Assacho, veroverd. De Abchasiërs en de Tsjetsjenen waren onderworpen. Enige duizenden van hen namen de wijk naar Turkije.

De op de vlucht geslagen leiders zetten echter opnieuw, vanuit Dagestan, een opstand op touw, die pas na verdrijving van een bende van 6000 man en het onderwerpen van 4000 opstandelingen onderdrukt kon worden.

Russische Revolutie en Tweede Wereldoorlog

Bij het onafhankelijkheidsstreven van Georgië, Azerbeidsjan en Armenië na de Russische Revolutie waren de Tsjetsjenen niet betrokken. Na de Tweede Wereldoorlog werden zij gedeporteerd op beschuldiging van collaboratie met de Duitsers. De restanten mochten in 1957 naar hun woonsteden terugkeren, waar zij een minderheid in hun eigen, inmiddels gerussificeerde gebieden vormden. Dat iemand in Tsjetjsenië een Russische naam heeft wil overigens niet zeggen dat het een Rus is, want ook achternamen zijn gerussificeerd. Tsjetsjenen is trouwens ook een Russische benaming, zelf noemen ze zich niet zo.

Door het uiteenvallen van de Sowjetunie verslapte de greep van het centrale gezag op de deelrepublieken als gevolg waarvan avontiers, inspelend op oude sentimenten, kans zagen aan de macht komen. Tsjetsjenië is een olierijk land en het geldt als een centrum van de handel in verdovende middelen.

Eerste Tsjetsjeense Oorlog

De Eerste Tsjetsjeense Oorlog werd uitgevochten tussen Rusland en de Tsjetsjeense Republiek Itsjkerië van 1994 tot 1996 en resulteerde uiteindelijk in feite in de onafhankelijkheid van Tsjetsjenië van Rusland.

Na de geplande campagne van 1994–1995, resulterend in de vernietigende Slag om Grozny, probeerde het Russische leger controle te krijgen over de Tsjetsjeense bergachtige gebieden, maar het leger werd terug gedrongen door Tsjetsjeense rebellen. Ook op het platteland kreeg het Russische leger geen controle ondanks de gigantische Russische overmacht aan mankracht en materieel. Dit en de vele gijzelingen (ook buiten Tsjetsjenië) resulteerde in een demoralisering van de Russische troepen en de roep van het Russische volk om een einde te maken aan de oorlog en leidde uiteindelijk tot een staakt-het-vuren in 1996 tussen de regering van Boris Jeltsin en de rebellen. Een jaar later werd de vrede getekend.

Tweede Tsjetsjeense Oorlog

De Tweede Tsjetsjeense Oorlog is een Burgeroorlog in Tsjetsjenië, onderdeel van de Russische Federatie. De oorlog brak in 1999 uit naar aanleiding van meerdere bomaanslagen in Moskou en andere steden en een inval van Tsjetsjeense rebellen onder Sjamil Basajev in Dagestan. Het Russische leger viel hierna de de facto onafhankelijke Tsjetsjeense republiek Itsjkerië voor de tweede keer binnen. Het conflict verplaatste zich voor een deel naar Rusland zelf: op 23 oktober 2002 viel een groep van zwaar bewapende Tsjetsjeense mannen en vrouwen net na de pauze van de Russische musical Nord Ost de zaal van het theater binnen. De aanwezigen dachten aanvankelijk nog dat het in de lucht schieten bij de show hoorde, maar ze werden daarop gedwongen op de grond te gaan liggen. De gijzelnemers eisten de terugtrekking van de Russische troepen.

De oorlog wordt gekenmerkt door een hoeveelheid aan misdaden tegen de menselijkheid. In de oorlog laten Tsjetsjenen vooral bommen ontploffen, gemunt op Russische burgers. Russische soldaten gebruiken buitensporig geweld in hun strijd tegen de terroristen. Daarbij sneuvelen vele burgers en worden veel huizen vernield. Ook worden Tsjetsjeense mannen vermoord en Tsjetsjeense vrouwen verkracht. Meer dan honderdduizend Tsjetsjenen zijn uit Tsjetsjenië gevlucht.

Het conflict heeft ook veel slachtoffers gemaakt door landmijnen.

Het conflict kende haar hoogtepunt tussen 1999 en 2002, toen de oorlog officieel beëindigd werd verklaard door de Russische regering. De conflicten gaan echter nog bijna dagelijks door en worden gevoerd tussen de verschillende Russische veiligheidsdiensten en legereenheden aan de ene kant, de Tsjetsjeense opstandelingen die een eigen staat willen en de wahabistische fracties onder leiding van Basajev die een pan-islamitisch kalifaat willen over de hele Noordelijke Kaukasus. De beruchte Kadyrovtsy van de Tsjetsjeense premier Ramzan Kadyrov worden momenteel, hoewel ze officieel werden opgeheven in april 2006, gezien als degenen die het land momenteel grotendeels in handen hebben en verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de misdaden tegen de menselijkheid. Er is sprake van rivaliteit tussen de verschillende Russische veiligheidsdiensten, die verschillende fracties steunen die actief zijn binnen het gebied.

De passages over de Eerste en Tweede Tsjetsjeense Oorlog zijn uit Wikipedia