Tweede Boerenoorlog

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De Tweede Boerenoorlog (1899-1902, ook bekend als de Tweede Vrijheidsoorlog, Zuid-Afrikaanse Oorlog of Anglo-Boerenoorlog) was een oorlog tussen de Afrikaners ("Boeren", afstammelingen van Nederlandse kolonisten) en de Engelsen.

Voorgeschiedenis

Na de Eerste Boerenoorlog bleef de Boerengemeenschap onder druk van de Engelsen staan. In 1885 werd in Transvaal bij Witwatersrand goud gevonden in een kilometerslange ertslaag. De lucratieve mijnbouw trok een grote stroom van niet-Boeren immigranten (uitlanders) aan. De nieuwelingen werden niet met open armen ontvangen door de Boeren, die vreesden een minderheid in eigen land te worden.

Engelse mijneigenaren (de gold bugs, goudkevers) oefenden druk uit om de regering van Transvaal (de Zuid-Afrikaansche Republiek, ZAR) over te nemen vanwege de voor hen nadelige monopolies op dynamiet en de kosten van de diepe goudmijnen. De kwestie van de politieke rechten van de uitlanders - wanneer ze stemrecht zouden krijgen voor de Volksraad - werd hoog opgespeeld.

Schermutselingen en hard optreden van de ZAR-politie (de ZARP) leidden tot schandalen als de zaak-Edgar (het "voetsak"-incident) waarbij de politie in Johannesburg een Engelsman doodschoot, die van moord verdacht werd. De publieke opinie in Engeland werd bewerkt met berichten dat de uitlanders als heloten mishandeld werden.

Jameson Raid

In 1896 sponsorde Cecil Rhodes een mislukte staatsgreep, de Jameson Raid. Deze poging om betere rechten te verwerven voor Engelse burgers werd in Transvaal als zeer bedreigend beschouwd. De Volksraad van Transvaal besloot tot aankoop van moderne wapens uit Duitsland (Mausergeweren) en Frankrijk (kanonnen van Creusot), waarmee de banden met deze landen verder werden aangehaald.

Internationale politiek

Er was nog een andere reden voor de Engelsen om de macht in de Boerenrepublieken over te nemen: de ZAR zocht toenadering tot Duits Zuidwest-Afrika, wat de Engelsen niet konden toestaan. Dit was een van de vele kleine stappen die zouden leiden tot het grote conflict tussen beide wereldmachten, de Eerste Wereldoorlog.

Conferentie van Bloemfontein

Sir Alfred Milner, de Engelse gouverneur voor Zuid-Afrika, onderhandelde met Paul Kruger en diens minister Jan Smuts op het station van Bloemfontein over de Engelse eisen voor versneld stemrecht voor de uitlanders van onder meer Johannesburg. Milner liet met opzet de onderhandelingen mislukken, waarschijnlijk tegen de wil van de Engelse Minister van Koloniën Joseph Chamberlain. Kruger merkte op: "U wilt mijn land."

Oorlog

Ultimatum

Op 8 september 1899 stuurden de Engelsen 10.000 soldaten naar Natal en op 22 september nog eens 47.000 man. Dit was de aanleiding voor een ultimatum van de Volksraad en Kruger - precies zoals Milner gehoopt had. De Britten werden beschuldigd van schending van het Verdrag van Londen van 1884 over de onafhankelijkheid van de ZAR. Groot-Brittannië moest arbitrage toestaan, zijn troepen van de grenzen terugtrekken , recente versterkingen terugtrekken en geen verdere troepen laten landen. De Engelsen reageerden niet. Na het verstrijken van het ultimatum op 12 oktober 1899 deelden de Boeren de eerste slag uit. Tussen oktober 1899 en januari 1900 vielen ze de Kaapkolonie en Natal binnen.

Boeren winnen eerst

Ze belegerden de Engelse garnizoenen in de steden Ladysmith, Mafikeng (verdedigd door troepen onder aanvoering van Robert Baden-Powell) en Kimberley. In een week (10 - 15 december 1899) boekten de Boeren drie verschillende overwinningen op de Britten: de slagen van Stormberg (10 december), Magersfontein (11 december) en Colenso in Natal (15 december). Deze week staat bij de Britten bekend als de Black Week.

Engelsen veroveren steden

Pas nadat op 14 februari 1900 versterkingen arriveerden konden Engelse troepen onder aanvoering van Lord Roberts tegenaanvallen uitvoeren om de garnizoenen te ontzetten. Het ontzet van Mafikeng op 18 mei 1900 leidde tot uitbundige vieringen (mafficking) in Engeland. Op 13 maart namen de Britten Bloemfontein in en op 5 juni Pretoria, de hoofdsteden van Oranje Vrijstaat en Transvaal.

Guerrilla

Eenheden Boeren vochten de daaropvolgende twee jaar een guerrillaoorlog onder leiding van generaal Christiaan de Wet, Jan Smuts, Louis Botha, K. de la Rey, M. T. Steyn, P. H. Kritzinger en anderen. De Engelsen (onder Lord Kitchener) reageerden met het vernielen van boerderijen, het in beslag nemen van voedsel en het inrichten van concentratiekampen waarin de familieleden en personeel van Boeren werden vastgehouden. Kitchener voerde door Transvaal heen een systeem van honderden kilometers van blokhutten en prikkeldraad in om de guerrilla's in hun bewegingen te beperken.

Vrede van Vereeniging

De laatste Boeren (de bittereinders) gaven zich over in mei 1902 en de oorlog eindigde met de Vrede van Vereeniging in diezelfde maand. De strijd had het leven gekost aan 7.000 Boeren in de strijd en ongeveer 28.000 Boerenvrouwen en kinderen in de concentratiekampen, plus meer dan 14.000 mensen van inheemse afkomst. Er kwamen 22.000 Britse soldaten om door strijd en vooral ziekte (onder meer tyfus). De kosten aan Britse kant waren opgelopen tot 200 miljoen pond.

De overeenkomst maakte een eind aan het bestaan van Transvaal en de Oranje Vrijstaat als Boerenrepublieken en bracht ze binnen het Britse Rijk. De Boeren ontvingen 3 miljoen pond als compensatie en de belofte dat ze ooit zelfbestuur zouden krijgen. Met de bepaling dat de politieke rechten van niet-blanken pas na zelfbestuur geregeld zou worden, werd de basis voor de apartheid gelegd.

In de oorlog vochten 2000 Nederlanders als vrijwilligers aan de Boerenkant.



Dit artikel valt onder de GNU-licentie voor vrije documentatie