Tweede Chinees-Japanse Oorlog

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De Tweede Chinees-Japanse Oorlog (ook Tweede Sino-Japanse Oorlog genoemd) was een Japanse invasie van China waarna Japan grote delen van China jarenlang bezet hield. De oorlog begon op 7 juli 1937 en eindigde met de overgave van de Japanse troepen in China op 9 sept. 1945, overigens een week na de Japanse capitulatie voor de geallieerden op 2 sept. 1945, die als het officiële einde van de Tweede Wereldoorlog wordt beschouwd.

In feite was de oorlog tussen Japan en China al jaren eerder begonnen met de Japanse bezetting in 1931 van het Chinese Mantsjoerije. Het door een burgeroorlog tussen communisten en de Kwomintang (de nationalisten) verzwakte China kon weinig tegenstand bieden. Japan reageerde op een Chinese handelsboycot met een bombardement op Sjanghai (29 jan. 1932, 18.000 slachtoffers) en een aanval op die stad. In mei 1932 werd een wapenstilstand overeengekomen, maar de Japanners rukten steeds verder op in China. In 1935 moest het toestaan dat ze het gebied tussen Mantsjoerije (dat inmiddels de Japanse naam Mantsjoekwo had gekregen) en Peking onder hun controle brachten en in 1936 delen van Binnen-Mongolië bezetten. Een protest van de Volkenbond hiertegen toonde slechts de machteloosheid van deze organisatie aan. Het enige resultaat was de Japanse uittreding uit de Volkenbond.

China zelf kon weinig uitrichten. De sterke man van China, nationalistenleider Tsjang-Kai-Sjek had zijn handen vol aan de communisten en was al blij als de Japanners zijn troepen met rust lieten. Maar uiteindelijk vormde hij met de communisten een eenheidsfront tegen de Japanners. Op 7 juli 1937 leidde een schietincident bij de Marco Polobrug bij Peking tot het uitbreken van de Tweede Chinees-Japanse Oorlog. Weer werd voornamelijk bij en in Sjanghai slag geleverd. Pas in nov. 1937 konden de Japanners de strijd beslissen, maar de Japanse verliezen waren enorm.

Op 8 dec. 1937 sloten de Japanners Nanking, de hoofdstad van de nationalisten in. De stad werd gebombardeerd en de Chinese troepen vluchtten in paniek. Op 13 dec. werd de stad door de Japanners bezet, die er vervolgens drie weken lang met ongekende wreedheid huishielden. Waarschijnlijk werden meer dan 300.000 Chinese burgers vermoord.

Door de slechte organisatie van hun leger waren de Chinezen in het vervolg gedwongen tot een soort guerrillatactiek om de opmars van de Japanners te vertragen. Het Japanse offensief richtte zich op de verovering van belangrijke spoorwegknooppunten in het noorden, maar het gelukte de Chinezen de Japanse troepen bij Taierzhuang in te sluiten. In de slag bij die stad (24 mrt.-7 apr. 1938), de eerste grote Japanse nederlaag in de oorlog, sneuvelden 30.000 Japanse soldaten. De mythe van het onoverwinnelijke Japanse leger was daarmee doorbroken.

Tsjang-Kai-Sjek liet op 9 juni 1938 de dammen in de Gele Rivier opblazen en het land onder water zetten om op die manier de Japanse opmars te stuiten. Dat er daardoor bijna een miljoen Chinese burgers omkwamen, en 12 miljoen mensen dakloos raakten omdat hij verzuimd had de bevolking tijdig op de hoogte te stellen, maakte hem kennelijk minder uit. Het Japanse offensief kwam een paar maanden stil te liggen, en dat was het voornaamste.

Nadat op 25 okt. 1938 Woehan (Hankou) en kort daarop Kanton door de Japanners waren veroverd, hoopten deze dat daarmee de laatste Chinese weerstand wel gebroken zou zijn, maar deze hoop bleek ijdel. Daar Japan niet is staat was het enorme China geheel aan zijn wil te onderwerpen, installeerde het in Nanking in mrt. 1940 een Chinese marionettenregering onder Wang-Jongwei, een voormalig generaal van Tsjang-Kai-Sjek. Wang-Jongwei was in dec. 1938 gedeserteerd, maar voor de Chinese bevolking, die zuchtte onder de Japanse terreur, was het een hele vooruitgang.

In 1940 geraakte de strijd in een patstelling. Japan hield het oostelijke deel van China bezet, geteisterd door de guerrilla van de Chinezen, terwijl het overige deel van het land in handen was van de nationalisten van Tsjang-Kai-Sjek en de communisten van Mao-Tse-Toeng. In 1941 brak het toch al wankele eenheidsfront tussen nationalisten en communisten, dat nooit meer was geweest dan een gewapende vrede..

De Ver. Staten bleven aanvankelijk neutraal, maar nadat de Japanners in de beginfase van de oorlog al dan niet bewust bij Nanking een Amerikaanse kanonneerboot tot zinken hadden gebracht en na berichten over Japanse oorlogsmisdaden, vooral die in Nanking, sloeg de stemming om. Er werd een staal- en olie-embargo tegen Japan uitgevaardigd en de Chinese nationalisten kregen enige militaire ondersteuning. Het embargo noopte Japan de militaire operaties in China te beëindigen en zou uiteindelijk leiden tot de aanval op Pearl Harbor. Het leidde ook tot een escalatie van de oorlog in Zuidoost-Azië, want Japan was gedwongen elders op zoek te gaan naar grondstoffen. In China hervatte het pas in 1944 de operaties door een verbinding tussen de door hen bezette gebieden in Noord- en Zuid-China aan te leggen.

De Amerikanen ondersteunden na Pearl Harbor de Kwomintang intensief met geld, wapens en adviseurs, maar de samenwerking met de Chinezen verliep door cultuurverschillen zeer moeizaam en de corruptie tierde welig. Pas in 1945 begon een Chinees-nationalistisch tegenoffensief. Op 8 aug. 1945 verklaarde de Sovjet-Unie Japan de oorlog en rukte met meer dan een miljoen soldaten Mantsjoerije binnen. De atoombommen op Japan vormden het sluitstuk van de oorlog in het Verre Oosten. De Japanse troepen in China capituleerden op 9 sept. 1945 in Nanking.

Aan de kant van de Chinezen werd de strijd voornamelijk gevoerd door de nationalisten. De communisten hielden zich op de achtergrond, in de hoop daar bij de hervatting van de burgeroorlog hun voordeel mee te kunnen doen en beperkten zich tot een guerrilla, hoofdzakelijk in het noorden. Na de Japanse capitulatie hervatten nationalisten en communisten hun onderlinge strijd, die in 1949 in het voordeel van de laatsten werd beslist, waarna de nationalisten naar Taiwan vluchtten.

De Japanse verliezen bedroegen ca. 1,1 miljoen doden, gewonden en vermisten, die van de Chinezen ruim 3 miljoen. Ruim 9 miljoen Chinese burgers werden bij oorlogshandelingen gedood en nog eens 8 miljoen stierven door indirecte gevolgen van de oorlog (overstromingen, hongersnood, leefomstandigheden). Bijna 100 miljoen mensen sloegen op de vlucht.

Lit.: Dorn, F.: The Sino-Japanese War, 1937-41. From Marco Polo Bridge to Pearl Harbor (1974); Pu-Yu Hu e.a.: History of the Sino-Japanese war (1937-1945), 1971.