Vestingen

Uit Milpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Europa ligt bezaaid met militaire bouwwerken ter verdediging, bekend als vestingen, forten of andere versterkingen. Dergelijke bouwwerken in onze streken zijn veelal vervallen en nauwelijks herkenbaar zoals het Fort Nieuwendamme in Middelkerke en de forten gekend als de Staats-Spaanse linies in België. In Nederland, in de provincie Groningen, ligt de “Vesting Bourtange” in het gelijknamige dorp op één kilometer van de Duitse grens. Ze werd in dezelfde periode gebouwd werd als het Fort Nieuwendamme. Ze ziet er uit als nieuw. De vesting Bourtange is een levende illustratie van het ontstaan en het wedervaren van versterkingen, forten en vestingen in onze streken en van het leven dat er geleid werd. Dit artikel geeft een algemene uitleg over vestingen, forten en andere versterkingen, vertrekkend van de bestaande vesting Bourtange.

Ontstaan van Bourtange

In het jaar 1585, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, gaf Prins Willem van Oranje opdracht tot de aanleg van de vesting Bourtange. De vesting werd in de loop der jaren telkens aangepast aan de noden van de tijd tot ze in 1851 afgeschreven werd en publiek verkocht. De wallen werden geslecht en de grachten gedempt. De vesting werd een agrarisch dorp. In de jaren zestig groeide de gedachte de vesting te reconstrueren. In 1992 was de vesting herbouwd in de staat waarin ze zich bevond in het jaar 1742.

Keuze van de plaats

Het lokale woord “tange” betekent “zandrug”. Bourtange verwijst naar de zandrug midden in het ontoegankelijke moerasgebied dat de natuurlijke grens vormde tussen Groningen en Duitsland. De vesting of “fortresse” zoals ze toen genoemd werd, ligt letterlijk op de weg op die zandrug tussen Groningen en Duitsland. Het fort moest de bevoorradingsweg tussen de katholieke Duitse buurlanden en het Spanjegetrouwe en katholieke Groningen afsluiten. In 1594 werd de stad Groningen deel van de protestantse opstandige provinciën. De vesting Bourtange werd dan onderdeel van de grensverdediging van de drie noordelijke provinciën Groningen, Friesland en Drenthe tegen een bedreiging uit het Oosten.

Tactische rol

Vestingen, forten, en andere versterkingen zoals burchten, werden inderdaad niet zomaar ergens opgericht. Ze hebben een tactische bedoeling in het kader van een strategisch plan. De vesting Bourtange maakte deel uit van een reeks versterkingen die een linie vormden zoals ook blijkt uit enkele dorpsnamen in de buurt: Nieuweschans en Oudeschans. De opdracht van de versterkte steden, forten en schansen is dan de naderingswegen naar (de toegangen tot) het hart van het te verdedigen gebied af te sluiten. Steden met verdedigingswerken, die enkel dienen ter verdediging van de eigen stad tegen concurrerende steden, roversbenden en ander gespuis zijn daarom nog geen vestingsteden. Ze zijn een soort vluchtburgen zoals de mottes waarrond vroegmiddeleeuwse steden in Vlaanderen ontstaan zijn.

Vorm

De vesting die Willem van Oranje liet aanleggen bestaat uit wallen in de vorm van een regelmatige vijfhoek met vijf bastions. Ze is een van de eerste versterkingen met bastions. Een bastion, ook wel bolwerk genaamd, is een vijfhoekige aarden of stenen uitbouw van een versterking. Kanonnen en infanterie die opgesteld zijn op een bastion, kunnen vuren voor de rechte wal en voor de naastliggende bastions. Dat heet enfiladevuur.
Vestinggracht en bastion
De wallen en bastions van Bourtange bestonden uit aarde. Ze waren niet bekleed met metselwerk of natuursteen.

Door het uitgraven van de aarde om de wallen op te werpen ontstond rondom een gracht die het geheel omvatte en beschermde. De vesting werd later verbeterd en uitgebreid. In 1742 bereikte de vesting haar grootste omvang.

Tactisch optreden

Binnen de vesting Bourtange waren naast de bedienaars van de kanonnen ook andere krijgsmachtonderdelen gelegerd zoals cavalerie en infanterie. Binnen de wallen was al het nodige ondergebracht voor de manschappen en hun uitrusting. Aanvankelijk bestonden de onderkomens uit tenten en primitieve bouwwerken. In 1672 was het garnizoen van Bourtange uitgebreid tot 2000 manschappen en werden demonteerbare houten barakken opgericht.

Een vijandelijk leger komend uit het Oosten dat Groningen wou veroveren moest eerst en vooral de vesting belegeren om ze te veroveren of te neutraliseren. In de veronderstelling dat ze buiten bereik van het vuur van het fort er konden aan voorbijtrekken, zouden ze dit niet gewaagd hebben. De troepen in het fort konden een uitval doen en hun verbindingen met Duitsland afsnijden.

In de periode 1607 tot 1672 werd de vesting Bourtange uitgebreid met een kroonwerk en twee ravelijnen. Het kroonwerk is een buitenwerk van de vesting in de richting van de bedreiging. Binnen het kroonwerk werden kazernes gebouwd.

Inundaties

Wanneer de moerassen steeds droger werden en de toegangen richting Groningen breder en gemakkelijker toegankelijk, werd daaraan verholpen door stuwen te installeren om zonodig inundaties te kunnen stellen. Om controle te kunnen houden over de inundatie werd een redoute aangelegd: een vooruitgeschoven rechthoekig gesloten veldwerk, omringd door een aarden wal.

Een sterk militair steunpunt

In de richting van de bedreiging werd voor het fort een licht hellend open terrein aangelegd dat door de verdedigers gemakkelijk onder vuur kon gehouden worden: het glacis. Van 1737 tot 1742 werd de vesting nogmaals uitgebreid en verbeterd met twee ravelijnen voor het kroonwerk en een couvre-face. De couvre-face is een pijlvormige wal voor het zuidoostelijk bastion van het kroonwerk. Wanneer de twee poorten van Bourtange dicht gingen, de Friese Poort aan de noordelijke kant en de Munsterse Poort aan de zuidelijke kant, was de weg tussen Duitsland en Groningen letterlijk afgesloten.

Bij een bedreiging of aanval op het fort werden de vast opgestelde artilleriestukken op de bastions bemand en stellingen bezet op de bastions, ravelijnen en couvre-face. Binnen de vestingwerken zelf waren tal van gebouwen neergezet voor een grote verscheidenheid van behoeften van het militair garnizoen en hun gevolg. Er verbleven inderdaad niet alleen militairen in de vesting, ook burgers van alle slag, inbegrepen echtgenotes en kinderen. De vesting was mettertijd uitgegroeid tot een stadje met een bevolking zoals in elk ander stadje, maar wel met een overwicht aan militairen. De commandant van de vesting had zijn eigen woning. De officieren, onderofficieren en manschappen hadden aparte logementen. De officierslogementen stonden aan het Marktplein, het centrum van de vesting. Op het marktplein stond ook het gebouw voor de hoofdwacht met het “landshorlogie”. In het onderofficierenverblijf was een aanrecht, evenals eigen toilet. De manschappen logeerden in kazernes, stenen gebouwen. Zij moesten gebruik maken van openbare toiletten, de secreten.

Militaire en burgerlijke samenleving

Een relatief groot aantal militairen van de vesting Bourtange was getrouwd. Dat kan men afleiden uit het feit dat er een vroedvrouw verbleef. Ze was in dienst van defensie. Dat er veel gezinnen met kinderen woonden in het fort blijkt ook uit het bestaan van de vestingschool.

De convooymeester was de man naast de bevelvoerende commandant. Hij was verantwoordelijk voor alle ondersteunende functies: de voorraden in de kelders, de brouwerij, de beplantingen, het onderhoud. Hij had zoals de commandant van de “fortresse” een eigen woning.

Ook de provoost had zijn eigen woning in Bourtange. De provoost kan men begrijpen als de commandant van de politie en verantwoordelijke voor het gevang. Bakkers en slagers verwerkten de voorraden die lagen opgeslagen in de magazijnen. Het onmisbare water kwam uit gegraven waterputten. In de moerassige streek van Bourtange stelde dat geen probleem, tenzij vermoedelijk wat drinkwater betreft. Het bier van de brouwerij in het fort was alvast bacteriologisch drinkbaar.

Tweewekelijks werd markt gehouden op het Marktplein. Burgerpersoneel en inwoners uit de omgeving en vermoedelijk ook militairen konden er waren aanbieden en aankopen wat ze nodig hadden.

Op de plattegrond van de vesting die in 1742 opgenomen werd, kan men binnen het kroonwerk kleine perceeltjes herkennen als moestuinen. Buiten het fort, aan de kant van Groningen, zijn binnen bedijkt gebied, grotere percelen getekend waarin we weiden en akkers herkennen. Op een van de bastions stond een windmolen om graan te malen. Tijdens belegeringen werd de molen ontmanteld. Het graan werd dan gemalen door een rosmolen, een door een paard aangedreven molen binnen de wallen. Op de wallen stonden ook houten schuilplaatsen voor de schildwachten. De wachthuisjes werden destijds sentinel genoemd. Voor de geestelijke verzorging werd reeds aan het begin van de zeventiende eeuw een kerkje gebouwd. De religieuze diensten werden verzorgd door een man die nog altijd de oude naam droeg zoals blijkt uit het “pastoors”-bastion, genoemd naar de woning van de pastoor aan de voet van dat bastion. De predikant was tegelijk ook notaris. Een van zijn taken was desgevraagd aktes met huwelijksvoorwaarden op te stellen.

De bron van energie was turf. Vandaar dat in het fort net zoals bij de oude boerderijen in Groningen en Drenthe een opslagplaats voorzien is voor het volumineuze turf: de turfschuur. In 1704 werd een nieuw kruitmagazijn gebouwd met een bijzondere constructie. Het dak ligt los op de muren, zodat bij een explosie het gehele gebouw niet uit elkaar zou spatten. Enkel het dak zou weggeblazen worden. Voorheen bestond een kruitmagazijn uit meters dikke muren en dito dak. Verder waren er in de vesting zeker ook een dokter, een smid, een hoefsmid, een timmerman, een kleermaker, een schoenmaker, een kaarsenmaker,... Kortom al de personen die nodig zijn om een vesting min of meer zelfstandig te laten functioneren als een militaire eenheid en samenleving. Beide functies, defensieve stelling en samenleving liepen in elkaar over. Dat was tot in de 19de eeuw algemeen gangbaar. Versterkte steden waren tegelijk militaire defensieve stelling en stedelijke samenleving.

Dagelijkse leven

Het levensritme in de “fortresse” Bourtange werd bepaald door haar militair karakter. De dagindeling werd aangegeven door de trompetter van wacht die het uur aflas van de “landshorlogie” en op gezette tijden trompetsignalen liet schallen zoals “wekken”, “taptoe”, “doven van vuren en lichten”. Het “taptoe”-signaal in de avond, betekende letterlijk dat geen bier meer mocht getapt worden of alcoholische dranken geschonken. In vestingsteden was de taptoe om acht of negen uur ’s avonds het signaal voor de inwoners van de stad om de bedstee op te zoeken. De militairen liepen wacht, onderhielden de bewapening, hun uitrusting en de beplanting en begroeiing op de wallen, zorgden voor de paarden,… Ongetwijfeld oefenden ze ook het bezetten van de toegewezen gevechtsposten. De weinige vrije tijd die hen gelaten werd brachten ze door met spel en drank, rondhangend op de pleinen, flanerend langs de straten en de wallen, wellicht ook met een of andere economische activiteit.

Elke avond werd de wacht afgelost. Voorafgegaan door de trompetter van wacht marcheerde het opgaande gewapende wachtdetachement naar het marktplein. Daar was de afgaande wacht aangetreden. Beide wachten groetten elkaar en de afgaande officier van de wacht gaf de consignes, de bijzondere opdrachten, door aan de opgaande officier. Dan werden de schildwachten uitgezet en afgelost. Tot slot marcheerde de afgaande wacht af, defilerend voor de opgaande wacht, en begaf zich onder trompetgeschal naar zijn logement. Bij bijzondere gelegenheden traden alle troepen van het fort aan op het marktplein.

Afgeschreven

Aan dit geordend vestingleven kwam in 1851 een einde. De vesting Bourtange werd afgeschreven. De veiligheidssituatie van Nederland en het strategisch en tactisch antwoord op een mogelijke bedreiging werden anders ingeschat. De vesting Bourtange was niet langer nodig als onderdeel van het Nederlandse veiligheidsbeleid.

In België werd rond diezelfde tijd ook een aantal vestingen afgeschreven. Na de stichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815 maakten die vestingen deel uit van de Wellingtonbarrière. Na 1830 had België ze opgenomen in zijn defensieconcept. In 1851 werd het Belgisch defensieconcept grondig herzien en een aantal vestingwerken speelden daarin geen rol meer.

De vesting Bourtange en de afgeschreven Belgische vestigingen werden stuk voor stuk ontmanteld, verkocht, afgebroken. Bourtange verviel tot een agrarisch dorpje. Het aanschijn van andere afgeschreven vestingsteden veranderde onherkenbaar.

Voor het definitief einde van versterkingen, forten en vestingen in Europa moest men wachten tot na de tweede wereldoorlog. De strategische en tactische overwegingen blijven evenwel geldig. De rol van vestingen, forten en andere versterkingen wordt nu overgenomen door militaire basissen te land en ter zee, steunpunten, permanent opgestelde gesofisticeerde waarnemingssystemen en wapensystemen.

Bron: Gils, Robert: België onder de wapens, Vesting Antwerpen, Deel 1, De Krijger, Erpe, 1997 (80 p.) ISBN90-72547-34-9.

Externe links

Bourtange

Staats-Spaanse Linies