Tachtigjarige Oorlog

Uit Milpedia
Versie door Wvanrosm (Overleg | bijdragen) op 11 aug 2014 om 12:46

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken
De Nederlanden rond 1550 (Naar Hermans en Woltjer, Kleine Atlas der Algemeene en Vaderlandsche Geschiedenis, 1899)
De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) was een opstand van de Nederlanden (= ongeveer het huidige Nederland en België) tegen het centrale gezag te Brussel. De Nederlanden waren door overerving in 1482 in bezit van het Huis Habsburg (vandaar de naam "Habsburgse Nederlanden") gekomen. De in Spanje geboren en getogen Filips II (ook Spanje behoorde tot het Habsburgse bezit), had in 1555 de zeggenschap over de Nederlanden verkregen (sindsdien ook "Spaanse Nederlanden" genoemd). Zijn bestuur leidde daar tot ernstige onvrede, en ontaardde, toen Filips in 1559 naar Spanje vertrokken was om zijn een jaar eerder overleden vader, Karel V, als koning van Spanje op te volgen, tot een opstand, aanvankelijk verspreid, na 1577 door alle gewesten, na 1585 door de Noord-Nederlandse gewesten (die in 1588 de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormden).


Willem van Oranje

De grieven tegen Filips II betroffen, behalve diens autoritaire gezag, ook de grote invloed van vreemdelingen en de onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied. Na het vertrek van Filips was gehoopt op verlichting, doch toen dit uitbleef, nam het verzet allengs toe. Als landvoogdes stelde hij zijn halfzuster Margaretha van Parma aan, die werd bijgestaan door de heerszuchtige kardinaal Granvelle als adviseur, maar die de eigenlijke macht in de Nederlanden uitoefende. Leider van het verzet werd weldra als aanvoerder van de "nationale partij" Prins Willem van Oranje (* 1533 in Duitsland), die in 1544 behalve het Prinsdom Oranje ook vele goederen in Brabant had geërfd. Hij was in de Nederlanden opgevoed en was een gunsteling van Karel V en aanvankelijk zelfs een vertrouweling van Filips II, die hem in 1559 tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht benoemde. Door zijn huwelijk in 1551 met Anna van Buren († 1558), eigenaresse van een rijk grondbezit in de Betuwe, vergrootte Prins Willem macht en invloed. De Prins huwde daarna nog driemaal: met Anna van Saksen († 1577) in 1561 (huwelijk ontbonden in 1571), Charlotte de Bourbon († 1582) in 1575 en Louise de Coligny in 1583, uit welke huwelijken 15 of 16 kinderen voortsproten, onder wie de roemruchte veldheren Maurits en Frederik Hendrik.

Het strenge Spaanse regime

Adel, geestelijkheid en burgerij vreesden, dat de regering meer de belangen van Spanje dan die van de Nederlanden zou behartigen. Bovendien was de absolute monarchie in strijd met de vrijheidsliefde van de Nederlandse gewesten, terwijl in Spanje het absolutisme veel minder tegenstand ondervond. De afkeer van het regime van Filips II werd nog versterkt door diens streven de Hervorming uit te roeien: het katholicisme moest staatsgodsdienst worden. Vooral de aanwezigheid van Spaans krijgsvolk wekte veel misnoegen omdat het regime daarmee zijn wil kon opleggen. Een indeling in nieuwe bisdommen wekte eveneens grote tegenzin omdat men de inquisitie vreesde als middel tot geloofsvervolging.

De adel klaagt

Eerst klaagde de hogere adel over het verblijf van de Spaanse troepen. In 1561 werden deze teruggeroepen. De tweede grief van de edelen was, dat zij door Granvelle ten achter werden gesteld. Dit was in 1564 reden voor Filips II om ook deze terug te roepen. Prins Willem pleitte openlijk voor een tolerantere houding van de vorst. Daarna kwam de godsdienstkwestie op de voorgrond. Graaf Egmont werd in 1565 naar Spanje gezonden, om enige versoepeling te bepleiten. Maar toen dit geen verandering teweegbracht, boden 400 leden van de lagere adel in overleg met Prins Willem in 1566 aan landvoogdes Margaretha een smeekschrift aan, waarin opheffing van de inquisitie gevraagd werd. Margaretha zegde toe het smeekschrift aan de koning te zullen zenden.

Het religieus verzet

Het religieus verzet nam hierdoor sterk toe, en leidde in de zomer van 1566 tot een felle uitbarsting van godsdienstig geweld: de "Beeldenstorm", waardoor tal van katholieke kerken en kloosters werden beschadigd of vernield. Het gevolg was een tweespalt tussen katholieken en hervormden. Margaretha was de toestand weldra meester, maar Filips wenste streng op te treden. Hij achtte het moment gekomen om het absolutisme voorgoed te vestigen en zond hiertoe in 1567 zijn ervaren veldheer Alva naar de Nederlanden. Uit angst weken duizenden uit. Ook Willem van Oranje begreep wel dat men hem in Spanje als een van de hoofdschuldigen voor de onrust beschouwde, en nam de wijk naar zijn slot Dillenburg in Duitsland. Het moet rond die tijd zijn geweest, dat Willem afstapte van het rooms-katholieke geloof en Lutheraan werd.

Alva aan de macht

Margaretha vroeg en kreeg ontslag en werd opgevolgd door de "IJzeren Hertog" Alva (1567-1573).. Deze nam direct krasse maatregelen, het begin van een waar schrikbewind. De invloedrijke graven van Egmont en Hoorne werden door de zgn. "Raad van Beroerten", weldra de "Bloedraad" genoemd, ter dood veroordeeld. Een jaar later zouden ze in Brussel onthoofd worden. De bezittingen van Willem van Oranje werden verbeurd verklaard en zijn oudste zoon, die in Leuven studeerde, naar Spanje gedeporteerd.

Prins Willem en de gewapende opstand

Intussen organiseerde Prins Willem in het buitenland de gewapende strijd. Daarmee begon de Tachtigjarige Oorlog. Hij beraamde een veldtochtplan: op vier plaatsen zouden invallen in de Nederlanden gedaan worden. Voorlopig slaagde dit voornemen. Graaf Lodewijk van Nassau, een broer van de Prins, drong in het voorjaar van 1568 met een legertje getrouwen en huurlingen Groningen binnen en versloeg de stadhouder Arenberg bij Heiligerlee, waar Arenberg sneefde, maar ook de andere broer van Prins Willem, Adolf. Alva trok hierop zelf naar het noorden, en dreef het leger van Lodewijk bij Jemgum op de vlucht.

Enkele maanden later kwam de hoofdaanval onder aanvoering van Prins Willem zelf. Hij trok ten zuiden van Roermond de Maas over en rukte Brabant binnen, maar Alva wist hem af te matten zonder slag te leveren. De Prins moest wegtrekken en zijn leger ontbinden.

In 1569 voerde Alva een belastingplan in, waartegen veel verzet ontstond: een eenmalige heffing van 1% over alle bezit (de zgn. honderdste penning), telkens 5% (twintigste penning) bij de verkoop van onroerende goederen, en 10% (tiende penning) bij het verkopen van roerende goederen, een voorloper van de BTW. Maar tot een volksopstand leidde het nog niet.

Een groot nadeel voor Alva was, dat hij niet over een behoorlijke vloot beschikte. Verschillende vluchtelingen waren namelijk een soort zeerovers geworden en deze "Watergeuzen" brachten de Spanjaarden veel schade toe. In 1572 besloot Prins Willem een nieuwe poging te wagen om de Spanjaarden te verdrijven. De Watergeuzen onder Lumey vielen vanuit zee op de eerste april van dat jaar Den Briel aan en namen deze stad voor de Prins in bezit (Vandaar de uitdrukking "Op 1 april verloor Alva zijn bril" = Den Briel of Brielle). Een Spaanse tegenaanval mislukte, en zo bleef de Maasmond in handen van de opstandelingen. Enige tijd later beheersten ze ook de Scheldemond door Vlissingen en Veere te veroveren en de Zuiderzee door de inname van Enkhuizen en andere Westfriese steden. Hierdoor werd de hele Nederlandse handel, vooral die van Antwerpen en Amsterdam, ernstig bedreigd. Het gevaar voor Alva werd nog groter, toen Lodewijk van Nassau Bergen in Henegouwen verraste, welke aanval spoedig vanuit Duitsland door prins Willem ondersteund leek te gaan worden. Daarom trok Alva zijn meeste troepen in het zuiden samen en nu brak eindelijk de volksopstand in Holland en Zeeland uit. Weldra waren daar nog slechts enkele steden, zoals Amsterdam en Middelburg, in Spaans bezit. Ook in andere gewesten verklaarden velen zich voor Oranje. De bevrijding van de Spaanse terreur leek in de zomer van 1572 nabij, maar door de zgn. Bartholomeusnacht werd alle hoop de bodem ingeslagen. De tocht van de Prins door de Zuidelijke Nederlanden mislukte en zijn broer Lodewijk moest Bergen afstaan. De Prins ontbond zijn leger en begaf zich naar Holland om daar de strijd voort te zetten.

Al spoedig kwam de Spaanse reactie. Een leger onder Alva's zoon Don Frederik rukte langs de Maas noordwaarts op naar Gelderland, plunderde Zutphen en Naarden en sloeg eind 1572 het beleg voor Haarlem. Zeven maanden hield de stad onder leiding van gouverneur Ripperda stand, moest zich toen door honger en gebrek overgeven en Ripperda werd onthoofd. Daarna trachtte Don Frederik Holland benoorden Het IJ te bedwingen. Alkmaar werd in het najaar van 1573 eveneens belegerd, maar bezetting en burgerij verdreven de Spanjaarden door de dijken rond Alkmaar door te steken.

Requesens volgt Alva op

Nu de terreur van Alva niet het gewenste resultaat had opgeleverd, besloot Filips II het met gematigdheid te proberen en verving Alva door Requesens (1573-76), doch er veranderde vrijwel niets. Na de mislukte aanval op Holland benoorden Het IJ, trachtten de Spanjaarden het gebied ten zuiden daarvan te bezetten. Nog in 1573 begonnen zij het Beleg van Leiden. In 1574 scheen redding nabij, maar het leger, dat Lodewijk van Nassau had bijeengebracht, werd op de heide bij Mook uiteengeslagen, waarbij hijzelf en zijn jongere broer Hendrik sneuvelden. Ondertussen hielden de Leidenaren onder leiding van hun burgemeester Van der Werff dapper vol. Het einde scheen nabij, maar weer bracht water uitkomst. De dijken van Nieuwe Maas en IJssel werden doorgestoken, en een Geuzenvloot kon op 3 oktober 1574 Leiden ontzetten. Als beloning schonk Prins Willem de stad een hogeschool (de huidige universiteit), die het volgende jaar geopend werd.

De Pacificatie van Gent, de Unie van Atrecht en de Unie van Utrecht

Maar behalve Holland en Zeeland hielden de Spanjaarden nog alle andere gewesten bezet en bovendien waren Noord- en Zuid-Holland door de Spaanse bezetting van Haarlem en Amsterdam van elkaar gescheiden. En toen de Spanjaarden na een hardnekkig beleg in 1576 Zierikzee innamen waren ook nog Holland en Zeeland gescheiden en was de verdedigingslinie in drieën gebroken. De zaak van de opstandelingen scheen verloren, doch nam een verrassende wending. Requesens stierf, en onder de stuurloze Spaanse troepen, die al maanden geen soldij hadden ontvangen, brak muiterij uit. De muiters verlieten de bezette plaatsen in het noorden en trokken naar de meer welvarende Zuidelijke Nederlanden om te plunderen. Vooral Antwerpen, een rijke koopmansstad, werd zwaar getroffen (de zgn. "Spaanse Furie"). Prins Willem maakte van de gelegenheid dadelijk gebruik om een algemene opstand uit te roepen. Hij verstond zich met de Staten-Generaal (de vertegenwoordiging van de gewesten) om gezamenlijk tegen de Spaanse troepen op te treden. Hierdoor kwam in 1576 de "Pacificatie van Gent" tot stand, een vredesverdrag tussen de Staten-Generaal met de Prins, Holland en Zeeland, waarbij besloten werd gezamenlijk de Spaanse troepen te verdrijven. De strenge godsdienstverordeningen ("plakkaten") werden voorlopig opgeschort, maar het katholicisme bleef, behalve in Holland en Zeeland, de heersende godsdienst.

Parma landvoogd

De verstandhouding tussen katholieken en hervormden bleef intussen slecht. In 1579 sloten enkele katholieke zuidelijke gewesten onder leiding van de nieuwe landvoogd Parma (1578-1592) de Unie van Atrecht. Ze keerden zich daarbij tegen de Opstand en verzoenden zich met Filips II. Het was het begin van de scheiding tussen de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden. Als reactie hierop kwam twee weken later de Unie van Utrecht tussen de noordelijke gewesten en de grote steden in Brabant en Vlaanderen tot stand. De Unie van Utrecht leidde tot onafhankelijkheid van het noorden, dat de strijd tegen Spanje voortzette. De eenheid van de Nederlanden bestond niet meer.

De moord op Willem van Oranje

Parma veroverde ondertussen steeds meer steden in het zuiden en door verraad van de stadhouder Rennenberg zelfs een groot deel van Groningen, Drente en Overijssel. Tevens trachtte Filips II de opstandelingen van hun leider te beroven, door in 1580 de ban over Prins Willem uit te spreken. Kortom, er werd een beloning op het hoofd van de Prins gezet. Als reactie hierop werd Filips II door de Staten in 1581 afgezworen ("Plakkaat van Verlatinghe"). De ban had overigens wel effect: in 1582 was er in Antwerpen door ene Jean Jaureguy al een aanslag op de Prins gepleegd, die daardoor zwaar gewond raakte, maar in 1584 was het raak. een zekere Balthasar Gerards schoot Willem van Oranje in Delft dood. De uitgeloofde beloning, noch de beloofde verheffing in de adelstand vielen hem echter ten deel, want hij werd direct gegrepen. Maar wat mocht het, dat hij drie dagen later werd gevierendeeld, de Prins, de Vader des Vaderlands, was en bleef dood.

Uitroeping van de Republiek der Verenigde Nederlanden

Bij gebrek aan een krachtige centrale leiding konden de Spanjaarden steeds verder naar het noorden opdringen. De noordelijke Nederlanden vroegen hulp aan Frankrijk, dat weigerde en Engeland, dat in 1585 6.000 man hulptroepen zond en als tegenprestatie de monden van Rijn, Maas en Schelde mocht bezetten. Maar ook de Engelsen konden Nederland niet redden, zodat de Staten zelf het bestuur in handen namen en in 1588 de "Republiek der Verenigde Nederlanden" uitriepen.

Het bestuur van de jonge Republiek werd geleid door landsadvocaat Oldenbarnevelt, in krijgszaken door een zoon van Willem van Oranje, Maurits, en Willem Lodewijk, de zoon van Willems broer Jan de Oude. De Republiek stond er beslist niet goed voor, en had het geluk, dat Filips II eerst Frankrijk en Engeland wilde veroveren, alvorens de onderwerping van de Nederlanden te voltooien. Daarom konden Maurits en Willem Lodewijk tussen 1590 en 1594 vrijwel alle door de Spanjaarden bezette vestingen heroveren. De Spanjaarden konden weinig ondernemen: Parma was in 1592 gestorven en zijn opvolgers kampten met geldgebrek en muiterij. Tussen 1588 en 1598 was de hulpbehoevende rebellenstaat een zelfbewuste onafhankelijke republiek geworden.

Een laatste poging van Filips II om de Nederlandse gewesten voor zijn Huis te behouden, mislukte: via een gearrangeerd huwelijk tussen zijn dochter en Albertus van Oostenrijk hoopte hij de Nederlanden weer terug te krijgen: hij schonk het hun als huwelijksgeschenk. In 1598 stierf hij, maar de Republiek erkende de nieuwe soevereinen niet en trachtte zich in 1600 meester te maken van het zeeroversnest Duinkerken. Maurits trok ongehinderd door Vlaanderen tot Nieuwpoort, maar moest daar onverwacht slag leveren met Albertus, die het Nederlandse leger was gevolgd. In de Slag bij Nieuwpoort behaalde Maurits wel de overwinning, maar zette de opmars niet voort, zodat het eigenlijke doel niet bereikt werd.

Het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) en daarna

In 1609 werd na langdurige onderhandelingen een wapenstilstand tussen de Republiek en Spanje bereikt: het Twaalfjarig Bestand. Het laatste gedeelte van de Tachtigjarige Oorlog staat na het aflopen van het Bestand in 1621 in nauw verband met de Dertigjarige Oorlog en met de strijd van Frankrijk tegen Spanje. De eerste jaren waren voor de Republiek niet gunstig, want de Spaanse veldheer Spinola veroverde in 1625 zelfs Breda. De opvolger van Maurits, zijn halfbroer Frederik Hendrik (1625-1647) was echter succesvol. Hij werd stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel en opperbevelhebber van leger en vloot. In korte tijd wist de nieuwe aanvoerder verschillende vestingen tot overgave te dwingen (vandaar zijn bijnaam "Stedendwinger"). Eerst werden Oostelijk Twente en de Achterhoek gezuiverd van Spanjaarden en daarna had een aanval op Brabant en Limburg plaats, begunstigd door de financiële moeilijkheden waarin Spanje was geraakt doordat Piet Hein in 1628 de Zilvervloot had veroverd. In 1629 gaf Den Bosch zich over en in 1632 konden Venlo, Roermond en Maastricht bevrijd worden. De poging de Spanjaarden ook uit de Zuidelijke Nederlanden te verdrijven, mislukte echter en Roermond en Venlo gingen weer verloren. De Spanjaarden trachtten hun positie te versterken door met een sterke vloot troepen naar de Nederlanden over te brengen, doch deze Armada werd in 1639 door admiraal Maarten Tromp bij Duins grotendeels vernietigd. Na die tijd ontrukte Frederik Hendrik Zeeuws-Vlaanderen nog aan de Spanjaarden, maar de vijand uit de gehele Zuidelijke Nederlanden te verdrijven bleek onmogelijk.

De Vrede van Münster

Intussen was men zowel in de Republiek als in Spanje oorlogsmoe geworden. Ook de Zuidelijke Nederlanden, die steeds dieper in verval geraakten, verlangden naar vrede. Frederik Hendrik was in 1647 overleden en het gezag van zijn onervaren opvolger, Willem II (1647-1650) was voorlopig niet groot, zodat de Staten, vooral die van Holland, hun wil doorzetten en in 1648 te Münster een afzonderlijke vrede met Spanje sloten. Spanje erkende de Republiek als een onafhankelijke staat, die al het veroverde gebied, ook dat in de koloniën, mocht behouden, terwijl bovendien de Schelde gesloten bleef. Koopvaardijschepen naar Antwerpen moesten dus tol betalen. Het gevolg was, dat ze naar andere havens voeren, vooral naar Amsterdam. Daar de Nederlanden door de Westfaalse Vrede tevens losgemaakt waren van Duitsland, was de Republiek na de Tachtigjarige Oorlog een geheel zelfstandige, vrije staat geworden. De Zuidelijke Nederlanden daarentegen bleven in Spaans bezit, tot ze na beëindiging van de Spaanse Successieoorlog in 1713 in Oostenrijks bezit kwamen ("Oostenrijkse Nederlanden"). In 1797 stond Oostenrijk ze af aan Frankrijk, en in 1815 werden ze weer met de Noordelijke Nederlanden verenigd. In 1830 volgde opnieuw een scheiding tussen Noord en Zuid, en ontstond uit de Zuidelijke Nederlanden de onafhankelijke staat België.

Naar Rijpma, Korte ontwikkelingsgang der historie, e.a.